Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2021-03-16
ECLI:NL:CBB:2021:272
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,736 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/339
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: H. Rietveld)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. M.N.J. Hunting en mr. L. Anvelink).
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitbetaling van de betalingsrechten (basisbetaling) en de vergroeningsbetaling van appellante voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een bedrag van € 28.874,86 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 28 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C. Bikker en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Appellante heeft op 11 mei 2016 met de Gecombineerde opgave 2016 de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd. Zij heeft daarbij 4 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 2,01 hectare (ha).
2. Bij het besluit van 7 december 2016 heeft verweerder aan appellante een bedrag van
€ 60.344,63,- als basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 toegekend. Verweerder was toen uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 2,01 ha.
2.1
De door appellante in 2016 opgegeven percelen zijn opnieuw gecontroleerd aan de hand van de referentiepercelen. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 gewijzigd vastgesteld op € 31.469,77. Hierbij is verweerder uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 1,54 ha. Deze herberekening leidt ertoe dat appellante een bedrag van € 28.874,86 moet terugbetalen.
2.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het door appellante in de Gecombineerde opgave 2016 opgegeven perceel 4 is volgens verweerder ten onrechte aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal.
3. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat perceel 4 geen subsidiabel landbouwareaal is, omdat op dit perceel sprake is van natuurlijk gras en kruidachtige gewassen. De winterfoto van verweerder kan niet doorslaggevend zijn voor het oordeel dat geen sprake is van grassen en kruidachtige voedergewassen, omdat percelen met natuurlijke gewassen in de winter geel kunnen kleuren. Bovendien hebben deze percelen een andere kleur dan intensief bemeste percelen. Verweerder vergelijkt perceel 4 dan ook ten onrechte met perceel 1 waar sprake is van productiegras. Verder is op perceel 4 geen sprake van verruiging. Op de zomerfoto’s zijn namelijk geen struikgewas, poelen en bosjes zichtbaar. De met gras begroeide zandbulten, die door schapen worden begraasd, zijn hoe dan ook subsidiabel.
Ter zitting heeft appellante nog verwezen naar het besluit van 3 juli 2020, dat gaat over de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2017. In dat besluit heeft verweerder een deel van perceel 4 goedgekeurd. Appellante ziet niet in waarom dit deel dan in 2016 niet zou voldoen aan de subsidiabliteitscriteria. Tot slot wijst appellante nog op de uitspraak van het College van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:732), waaruit volgt dat verweerder zich niet op enkel luchtfoto’s mag baseren.
3.1
Verweerder stelt dat perceel 4 geen subsidiabel landbouwareaal is, omdat het niet voldoet aan de vereisten voor blijvend of tijdelijk grasland. Op de luchtfoto’s is te zien dat zich aan de westzijde zandbulten bevinden. Op de winterfoto van november 2016 is verder te zien dat de grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend kunnen worden aangemerkt, gelet op de afwijkende kleur en structuur van het perceel. In combinatie met de zomerfoto, waarop te zien is dat sprake is van verruiging, kan perceel 4 niet worden aangemerkt als subsidiabel landbouwgrond. Het perceel heeft duidelijk een andere kleur en structuur dan omliggende percelen. Verweerder verwijst hierbij onder meer naar de uitspraak van het College van 26 februari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:77). Dat appellant landbouwactiviteiten uitoefent op dit perceel, doet niet af aan de conclusie dat het perceel niet als landbouwareaal is aan te merken. De door appellante ingebrachte foto’s kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze van een ander perceel zijn.
Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat op de luchtfoto’s van april te zien is dat sprake is van hoge vegetatie dat niet kan worden aangemerkt als gras. Ten aanzien van het besluit van 3 juli 2020 stelt verweerder dat het perceel elk jaar kan veranderen en hij elk jaar opnieuw beoordeelt of een perceel subsidiabel is.
3.2
In deze procedure is aan de orde de herberekening en de aangepaste vaststelling van de uitbetaling voor het jaar 2016. Concreet gaat het om de vraag of verweerder perceel 4 terecht niet heeft aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal en om die reden een deel van de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling heeft mogen terugvorderen.
3.2.1
Voor de vaststelling van het bedrag aan basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: Verordening 1307/2013). Onder 'landbouwareaal' wordt verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening 1307/2013). Onder blijvend grasland en blijvend weiland verstaat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013, grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen.
3.2.2
Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid).
3.2.3
De oppervlakte moet derhalve, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
3.3
Op de luchtfoto’s van perceel 4 ziet het College dat sprake is van een zandbult op dit perceel. Een zandbult is niet aan te merken als subsidiabel landbouwareaal. Daarnaast leidt het College uit de luchtfoto’s af dat op dit perceel grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend kunnen worden beschouwd. In dat verband acht het College van belang dat sprake is van hoge vegetatie op dit perceel, wat duidt op ruigte. Ook is er weinig gras zichtbaar. De enkele stelling van appellante dat op dit perceel natuurlijk gras groeit acht het College onvoldoende om van het tegendeel uit te gaan. Gelet op de structuur en kleur van het perceel op de door verweerder ingebrachte luchtfoto’s is het College met verweerder van oordeel dat op perceel 4 andere vegetatie dan de grassen en kruidachtige voedergewassen overheersen.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/339
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: H. Rietveld)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. M.N.J. Hunting en mr. L. Anvelink).
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitbetaling van de betalingsrechten (basisbetaling) en de vergroeningsbetaling van appellante voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een bedrag van € 28.874,86 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 28 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C. Bikker en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Appellante heeft op 11 mei 2016 met de Gecombineerde opgave 2016 de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd. Zij heeft daarbij 4 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 2,01 hectare (ha).
2. Bij het besluit van 7 december 2016 heeft verweerder aan appellante een bedrag van
€ 60.344,63,- als basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 toegekend. Verweerder was toen uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 2,01 ha.
2.1
De door appellante in 2016 opgegeven percelen zijn opnieuw gecontroleerd aan de hand van de referentiepercelen. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 gewijzigd vastgesteld op € 31.469,77. Hierbij is verweerder uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 1,54 ha. Deze herberekening leidt ertoe dat appellante een bedrag van € 28.874,86 moet terugbetalen.
2.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het door appellante in de Gecombineerde opgave 2016 opgegeven perceel 4 is volgens verweerder ten onrechte aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal.
3. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat perceel 4 geen subsidiabel landbouwareaal is, omdat op dit perceel sprake is van natuurlijk gras en kruidachtige gewassen. De winterfoto van verweerder kan niet doorslaggevend zijn voor het oordeel dat geen sprake is van grassen en kruidachtige voedergewassen, omdat percelen met natuurlijke gewassen in de winter geel kunnen kleuren. Bovendien hebben deze percelen een andere kleur dan intensief bemeste percelen. Verweerder vergelijkt perceel 4 dan ook ten onrechte met perceel 1 waar sprake is van productiegras. Verder is op perceel 4 geen sprake van verruiging. Op de zomerfoto’s zijn namelijk geen struikgewas, poelen en bosjes zichtbaar. De met gras begroeide zandbulten, die door schapen worden begraasd, zijn hoe dan ook subsidiabel.
Ter zitting heeft appellante nog verwezen naar het besluit van 3 juli 2020, dat gaat over de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2017. In dat besluit heeft verweerder een deel van perceel 4 goedgekeurd. Appellante ziet niet in waarom dit deel dan in 2016 niet zou voldoen aan de subsidiabliteitscriteria. Tot slot wijst appellante nog op de uitspraak van het College van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:732), waaruit volgt dat verweerder zich niet op enkel luchtfoto’s mag baseren.
3.1
Verweerder stelt dat perceel 4 geen subsidiabel landbouwareaal is, omdat het niet voldoet aan de vereisten voor blijvend of tijdelijk grasland. Op de luchtfoto’s is te zien dat zich aan de westzijde zandbulten bevinden. Op de winterfoto van november 2016 is verder te zien dat de grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend kunnen worden aangemerkt, gelet op de afwijkende kleur en structuur van het perceel. In combinatie met de zomerfoto, waarop te zien is dat sprake is van verruiging, kan perceel 4 niet worden aangemerkt als subsidiabel landbouwgrond. Het perceel heeft duidelijk een andere kleur en structuur dan omliggende percelen. Verweerder verwijst hierbij onder meer naar de uitspraak van het College van 26 februari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:77). Dat appellant landbouwactiviteiten uitoefent op dit perceel, doet niet af aan de conclusie dat het perceel niet als landbouwareaal is aan te merken. De door appellante ingebrachte foto’s kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze van een ander perceel zijn.
Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat op de luchtfoto’s van april te zien is dat sprake is van hoge vegetatie dat niet kan worden aangemerkt als gras. Ten aanzien van het besluit van 3 juli 2020 stelt verweerder dat het perceel elk jaar kan veranderen en hij elk jaar opnieuw beoordeelt of een perceel subsidiabel is.
3.2
In deze procedure is aan de orde de herberekening en de aangepaste vaststelling van de uitbetaling voor het jaar 2016. Concreet gaat het om de vraag of verweerder perceel 4 terecht niet heeft aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal en om die reden een deel van de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling heeft mogen terugvorderen.
3.2.1
Voor de vaststelling van het bedrag aan basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: Verordening 1307/2013). Onder 'landbouwareaal' wordt verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening 1307/2013). Onder blijvend grasland en blijvend weiland verstaat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013, grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen.
3.2.2
Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid).
3.2.3
De oppervlakte moet derhalve, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
3.3
Op de luchtfoto’s van perceel 4 ziet het College dat sprake is van een zandbult op dit perceel. Een zandbult is niet aan te merken als subsidiabel landbouwareaal. Daarnaast leidt het College uit de luchtfoto’s af dat op dit perceel grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend kunnen worden beschouwd. In dat verband acht het College van belang dat sprake is van hoge vegetatie op dit perceel, wat duidt op ruigte. Ook is er weinig gras zichtbaar. De enkele stelling van appellante dat op dit perceel natuurlijk gras groeit acht het College onvoldoende om van het tegendeel uit te gaan. Gelet op de structuur en kleur van het perceel op de door verweerder ingebrachte luchtfoto’s is het College met verweerder van oordeel dat op perceel 4 andere vegetatie dan de grassen en kruidachtige voedergewassen overheersen.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/339
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: H. Rietveld)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. M.N.J. Hunting en mr. L. Anvelink).
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitbetaling van de betalingsrechten (basisbetaling) en de vergroeningsbetaling van appellante voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een bedrag van € 28.874,86 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 28 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C. Bikker en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Appellante heeft op 11 mei 2016 met de Gecombineerde opgave 2016 de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd. Zij heeft daarbij 4 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 2,01 hectare (ha).
2. Bij het besluit van 7 december 2016 heeft verweerder aan appellante een bedrag van
€ 60.344,63,- als basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 toegekend. Verweerder was toen uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 2,01 ha.
2.1
De door appellante in 2016 opgegeven percelen zijn opnieuw gecontroleerd aan de hand van de referentiepercelen. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 gewijzigd vastgesteld op € 31.469,77. Hierbij is verweerder uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 1,54 ha. Deze herberekening leidt ertoe dat appellante een bedrag van € 28.874,86 moet terugbetalen.
2.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het door appellante in de Gecombineerde opgave 2016 opgegeven perceel 4 is volgens verweerder ten onrechte aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal.
3. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat perceel 4 geen subsidiabel landbouwareaal is, omdat op dit perceel sprake is van natuurlijk gras en kruidachtige gewassen. De winterfoto van verweerder kan niet doorslaggevend zijn voor het oordeel dat geen sprake is van grassen en kruidachtige voedergewassen, omdat percelen met natuurlijke gewassen in de winter geel kunnen kleuren. Bovendien hebben deze percelen een andere kleur dan intensief bemeste percelen. Verweerder vergelijkt perceel 4 dan ook ten onrechte met perceel 1 waar sprake is van productiegras. Verder is op perceel 4 geen sprake van verruiging. Op de zomerfoto’s zijn namelijk geen struikgewas, poelen en bosjes zichtbaar. De met gras begroeide zandbulten, die door schapen worden begraasd, zijn hoe dan ook subsidiabel.
Ter zitting heeft appellante nog verwezen naar het besluit van 3 juli 2020, dat gaat over de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2017. In dat besluit heeft verweerder een deel van perceel 4 goedgekeurd. Appellante ziet niet in waarom dit deel dan in 2016 niet zou voldoen aan de subsidiabliteitscriteria. Tot slot wijst appellante nog op de uitspraak van het College van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:732), waaruit volgt dat verweerder zich niet op enkel luchtfoto’s mag baseren.
3.1
Verweerder stelt dat perceel 4 geen subsidiabel landbouwareaal is, omdat het niet voldoet aan de vereisten voor blijvend of tijdelijk grasland. Op de luchtfoto’s is te zien dat zich aan de westzijde zandbulten bevinden. Op de winterfoto van november 2016 is verder te zien dat de grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend kunnen worden aangemerkt, gelet op de afwijkende kleur en structuur van het perceel. In combinatie met de zomerfoto, waarop te zien is dat sprake is van verruiging, kan perceel 4 niet worden aangemerkt als subsidiabel landbouwgrond. Het perceel heeft duidelijk een andere kleur en structuur dan omliggende percelen. Verweerder verwijst hierbij onder meer naar de uitspraak van het College van 26 februari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:77). Dat appellant landbouwactiviteiten uitoefent op dit perceel, doet niet af aan de conclusie dat het perceel niet als landbouwareaal is aan te merken. De door appellante ingebrachte foto’s kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze van een ander perceel zijn.
Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat op de luchtfoto’s van april te zien is dat sprake is van hoge vegetatie dat niet kan worden aangemerkt als gras. Ten aanzien van het besluit van 3 juli 2020 stelt verweerder dat het perceel elk jaar kan veranderen en hij elk jaar opnieuw beoordeelt of een perceel subsidiabel is.
3.2
In deze procedure is aan de orde de herberekening en de aangepaste vaststelling van de uitbetaling voor het jaar 2016. Concreet gaat het om de vraag of verweerder perceel 4 terecht niet heeft aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal en om die reden een deel van de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling heeft mogen terugvorderen.
3.2.1
Voor de vaststelling van het bedrag aan basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: Verordening 1307/2013). Onder 'landbouwareaal' wordt verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening 1307/2013). Onder blijvend grasland en blijvend weiland verstaat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013, grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen.
3.2.2
Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid).
3.2.3
De oppervlakte moet derhalve, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
3.3
Op de luchtfoto’s van perceel 4 ziet het College dat sprake is van een zandbult op dit perceel. Een zandbult is niet aan te merken als subsidiabel landbouwareaal. Daarnaast leidt het College uit de luchtfoto’s af dat op dit perceel grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend kunnen worden beschouwd. In dat verband acht het College van belang dat sprake is van hoge vegetatie op dit perceel, wat duidt op ruigte. Ook is er weinig gras zichtbaar. De enkele stelling van appellante dat op dit perceel natuurlijk gras groeit acht het College onvoldoende om van het tegendeel uit te gaan. Gelet op de structuur en kleur van het perceel op de door verweerder ingebrachte luchtfoto’s is het College met verweerder van oordeel dat op perceel 4 andere vegetatie dan de grassen en kruidachtige voedergewassen overheersen.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/339
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: H. Rietveld)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. M.N.J. Hunting en mr. L. Anvelink).
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitbetaling van de betalingsrechten (basisbetaling) en de vergroeningsbetaling van appellante voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een bedrag van € 28.874,86 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 28 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C. Bikker en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Appellante heeft op 11 mei 2016 met de Gecombineerde opgave 2016 de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd. Zij heeft daarbij 4 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 2,01 hectare (ha).
2. Bij het besluit van 7 december 2016 heeft verweerder aan appellante een bedrag van
€ 60.344,63,- als basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 toegekend. Verweerder was toen uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 2,01 ha.
2.1
De door appellante in 2016 opgegeven percelen zijn opnieuw gecontroleerd aan de hand van de referentiepercelen. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 gewijzigd vastgesteld op € 31.469,77. Hierbij is verweerder uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 1,54 ha. Deze herberekening leidt ertoe dat appellante een bedrag van € 28.874,86 moet terugbetalen.
2.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het door appellante in de Gecombineerde opgave 2016 opgegeven perceel 4 is volgens verweerder ten onrechte aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal.
3. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat perceel 4 geen subsidiabel landbouwareaal is, omdat op dit perceel sprake is van natuurlijk gras en kruidachtige gewassen. De winterfoto van verweerder kan niet doorslaggevend zijn voor het oordeel dat geen sprake is van grassen en kruidachtige voedergewassen, omdat percelen met natuurlijke gewassen in de winter geel kunnen kleuren. Bovendien hebben deze percelen een andere kleur dan intensief bemeste percelen. Verweerder vergelijkt perceel 4 dan ook ten onrechte met perceel 1 waar sprake is van productiegras. Verder is op perceel 4 geen sprake van verruiging. Op de zomerfoto’s zijn namelijk geen struikgewas, poelen en bosjes zichtbaar. De met gras begroeide zandbulten, die door schapen worden begraasd, zijn hoe dan ook subsidiabel.
Ter zitting heeft appellante nog verwezen naar het besluit van 3 juli 2020, dat gaat over de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2017. In dat besluit heeft verweerder een deel van perceel 4 goedgekeurd. Appellante ziet niet in waarom dit deel dan in 2016 niet zou voldoen aan de subsidiabliteitscriteria. Tot slot wijst appellante nog op de uitspraak van het College van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:732), waaruit volgt dat verweerder zich niet op enkel luchtfoto’s mag baseren.
3.1
Verweerder stelt dat perceel 4 geen subsidiabel landbouwareaal is, omdat het niet voldoet aan de vereisten voor blijvend of tijdelijk grasland. Op de luchtfoto’s is te zien dat zich aan de westzijde zandbulten bevinden. Op de winterfoto van november 2016 is verder te zien dat de grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend kunnen worden aangemerkt, gelet op de afwijkende kleur en structuur van het perceel. In combinatie met de zomerfoto, waarop te zien is dat sprake is van verruiging, kan perceel 4 niet worden aangemerkt als subsidiabel landbouwgrond. Het perceel heeft duidelijk een andere kleur en structuur dan omliggende percelen. Verweerder verwijst hierbij onder meer naar de uitspraak van het College van 26 februari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:77). Dat appellant landbouwactiviteiten uitoefent op dit perceel, doet niet af aan de conclusie dat het perceel niet als landbouwareaal is aan te merken. De door appellante ingebrachte foto’s kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze van een ander perceel zijn.
Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat op de luchtfoto’s van april te zien is dat sprake is van hoge vegetatie dat niet kan worden aangemerkt als gras. Ten aanzien van het besluit van 3 juli 2020 stelt verweerder dat het perceel elk jaar kan veranderen en hij elk jaar opnieuw beoordeelt of een perceel subsidiabel is.
3.2
In deze procedure is aan de orde de herberekening en de aangepaste vaststelling van de uitbetaling voor het jaar 2016. Concreet gaat het om de vraag of verweerder perceel 4 terecht niet heeft aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal en om die reden een deel van de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling heeft mogen terugvorderen.
3.2.1
Voor de vaststelling van het bedrag aan basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: Verordening 1307/2013). Onder 'landbouwareaal' wordt verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening 1307/2013). Onder blijvend grasland en blijvend weiland verstaat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013, grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen.
3.2.2
Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid).
3.2.3
De oppervlakte moet derhalve, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
3.3
Op de luchtfoto’s van perceel 4 ziet het College dat sprake is van een zandbult op dit perceel. Een zandbult is niet aan te merken als subsidiabel landbouwareaal. Daarnaast leidt het College uit de luchtfoto’s af dat op dit perceel grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend kunnen worden beschouwd. In dat verband acht het College van belang dat sprake is van hoge vegetatie op dit perceel, wat duidt op ruigte. Ook is er weinig gras zichtbaar. De enkele stelling van appellante dat op dit perceel natuurlijk gras groeit acht het College onvoldoende om van het tegendeel uit te gaan. Gelet op de structuur en kleur van het perceel op de door verweerder ingebrachte luchtfoto’s is het College met verweerder van oordeel dat op perceel 4 andere vegetatie dan de grassen en kruidachtige voedergewassen overheersen.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.