BWBV0005042
Geldig vanaf 01-08-1963
Artikel § 2
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Grensverdrag)
1. Onder recht van weggebruik in de zin van deze Bijlage wordt het recht verstaan, bepaalde wegen te gebruiken, die binnen korte afstand van de grens over het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij voeren. Controle aan de grens blijft hierbij achterwege. Onder voorwaarde van wederuitvoer onderscheidenlijk van wederinvoer behoeven voor meegevoerde voorwerpen geen in- of uitvoerrechten en andere heffingen terzake van de in- of uitvoer te werden voldaan en blijven in-, uit- en doorvoerverboden en -beperkingen buiten toepassing. De bepalingen van artikel 36 van dit Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een recht van weggebruik wordt verleend aan personen die op grond van plaatselijke omstandigheden een redelijk belang daarbij hebben, door afgifte van een schriftelijke verklaring door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij in welker gebied de persoon woont. Afgezien van deze verklaring behoeft men geen grensoverschrijdingsdocument bij zich te hebben.
3. De Verdragsluitende Partijen stellen het model van de verklaring in een notawisseling vast en delen elkaar mede, welke autoriteiten bevoegd zijn tot afgifte van de verklaringen. Deze autoriteiten delen aan de met het grenstoezicht belaste autoriteiten van de andere Partij mede, aan welke personen een verklaring is afgegeven en van welke personen de verklaring is ingetrokken.
4. Ambtenaren, belast met de grensbewaking en het douanetoezicht, hebben het recht bij het weggebruik hun dienstkleding of een officieel kenteken zichtbaar te dragen en hun dienstwapens, voertuigen, dienstuitrusting en diensthonden mee te nemen. Zij mogen echter geen ambtshandelingen verrichten. Een verklaring als bedoeld in lid 2 behoeven zij niet te bezitten.
2. Een recht van weggebruik wordt verleend aan personen die op grond van plaatselijke omstandigheden een redelijk belang daarbij hebben, door afgifte van een schriftelijke verklaring door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij in welker gebied de persoon woont. Afgezien van deze verklaring behoeft men geen grensoverschrijdingsdocument bij zich te hebben.
3. De Verdragsluitende Partijen stellen het model van de verklaring in een notawisseling vast en delen elkaar mede, welke autoriteiten bevoegd zijn tot afgifte van de verklaringen. Deze autoriteiten delen aan de met het grenstoezicht belaste autoriteiten van de andere Partij mede, aan welke personen een verklaring is afgegeven en van welke personen de verklaring is ingetrokken.
4. Ambtenaren, belast met de grensbewaking en het douanetoezicht, hebben het recht bij het weggebruik hun dienstkleding of een officieel kenteken zichtbaar te dragen en hun dienstwapens, voertuigen, dienstuitrusting en diensthonden mee te nemen. Zij mogen echter geen ambtshandelingen verrichten. Een verklaring als bedoeld in lid 2 behoeven zij niet te bezitten.
- Citeren als
- Art. § 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0005042
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl