Aan het College van procureurs-generaal blijft voorbehouden:
a. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die worden genomen op grond van de artikel 69 van het Barp, voor zover de schadeloosstelling betrekking heeft op immateriële schade of materiele schade boven een bedrag van € 5.000,–;
b. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die worden genomen op grond van de artikel 69a van het Barp, voor zover de tegemoetkoming betrekking heeft op een bedrag van meer dan € 5.000,–;
c. de bevoegdheid tot het vaststellen van de organisatie en formatie van salarisschaal 14 en hoger van Bijlage l van het Besluit bezoldiging politie (Bbp);
d. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen, waaronder aanstelling, bevordering en ontslag alsmede het treffen van disciplinaire maatregelen jegens functionarissen op functies van salarisschaal 14 en hoger van Bijlage I van het Besluit bezoldiging politie;
e. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 95 lid 1 van het Barp, alsmede de bevoegdheid tot het nemen van een besluit als omschreven in artikel 95 lid 2, indiende hoogte van de uitkering drie maandsalarissen overstijgt
f. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen op grond van artikel 2 en hoofdstuk 2 van het Besluit bezoldiging politie ten aanzien van de functies van salarisschaal 14 en hoger van Bijlage 1 van het Besluit bezoldiging politie;
g. besluiten te nemen waarmee aan ambtenaren van de rijksrecherche een eenmalige of periodieke toeslag wordt toegekend boven een bedrag van € 5.000,–;
h. besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koning, de raad van Ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie; de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie; de Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk of de Vice-President van de Raad van State; de president van de Algemene Rekenkamer of de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven;
i. de beslissing op een bezwaar of een beroep dat is gericht tegen een beslissing die is genomen door het bevoegd gezag alsmede op een daarmee verband houdend verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;
j. de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze de gedragingen betreffen van het bevoegd gezag zelf.