BWBR0050739
Geldig vanaf 2025-02-04
Artikel 3.3
Uitvoeringswet digitaledienstenverordening
1. De Autoriteit persoonsgegevens is bevoegd tot oplegging van een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag, genoemd in artikel 52, derde lid, van de digitaledienstenverordening ter handhaving van:
a. de bepalingen, genoemd in artikel 3.2, eerste lid;
b. de artikelen 3.5, vijfde lid, en 3.6, derde lid;
c. artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een vordering van een bij of krachtens artikel 3.2, eerste lid, aangewezen persoon.
2. <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/184" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht</a>is niet van toepassing op de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde overtreding.
3. De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat.
a. de bepalingen, genoemd in artikel 3.2, eerste lid;
b. de artikelen 3.5, vijfde lid, en 3.6, derde lid;
c. artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een vordering van een bij of krachtens artikel 3.2, eerste lid, aangewezen persoon.
2. <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/184" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht</a>is niet van toepassing op de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde overtreding.
3. De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat.