BWBR0050739
Geldig vanaf 2025-02-04
Artikel 3.2
Uitvoeringswet digitaledienstenverordening
1. Met het toezicht op de naleving van de artikelen 26, derde lid, 27 en 28, tweede lid, van de digitaledienstenverordening zijn belast de leden en buitengewone leden van de Autoriteit persoonsgegevens, de ambtenaren van het secretariaat van de Autoriteit persoonsgegevens, alsmede de bij besluit van de Autoriteit persoonsgegevens aangewezen personen.
2. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheid, genoemd in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht</a>, bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid.
3. De in het eerste lid bedoelde personen zijn bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat voor de uitoefening van de in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht</a>bedoelde bevoegdheden redelijkerwijs noodzakelijk is.
4. De in het eerste lid bedoelde personen behoeven voor de uitoefening van de in het derde lid omschreven bevoegdheid de uitdrukkelijke en bijzondere volmacht van de Autoriteit persoonsgegevens, onverminderd het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0006763/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden</a>.
2. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheid, genoemd in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht</a>, bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid.
3. De in het eerste lid bedoelde personen zijn bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat voor de uitoefening van de in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht</a>bedoelde bevoegdheden redelijkerwijs noodzakelijk is.
4. De in het eerste lid bedoelde personen behoeven voor de uitoefening van de in het derde lid omschreven bevoegdheid de uitdrukkelijke en bijzondere volmacht van de Autoriteit persoonsgegevens, onverminderd het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0006763/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden</a>.