BWBR0050739
Geldig vanaf 2025-02-04
Artikel 2.6
Uitvoeringswet digitaledienstenverordening
1. Voor een zelfstandige last als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, is voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank Rotterdam. In het verzoek om afgifte van de machtiging wordt gemotiveerd dat de maatregel in verhouding staat tot de aard, de ernst, de herhaling en de duur van de inbreuk, zonder onnodige beperking van toegang tot wettelijke informatie door afnemers van de betrokken dienst.
2. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie, de aanbieder van de tussenhandeldiensten, de geadresseerden van de maatregel en eventuele derden met een legitiem belang, bedoeld in artikel 51, derde lid, tweede alinea, tweede volzin, van de digitaledienstenverordening, horen alvorens te beslissen. <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/171" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering</a>is van overeenkomstige toepassing.
3. De Europese Commissie kan schriftelijke opmerkingen maken krachtens artikel 82, tweede lid, eerste alinea, van de digitaledienstenverordening indien zij de wens daartoe te kennen heeft gegeven. De rechter-commissaris kan daarvoor een termijn vaststellen. Met toestemming van de rechter-commissaris kan de Europese Commissie ook mondelinge opmerkingen maken.
4. In het geval van een verzoek ingevolge artikel 82, tweede lid, tweede alinea, van de digitaledienstenverordening, verstrekt de rechter-commissaris aan de Europese Commissie de in die bepaling bedoelde documenten.
5. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het eerste lid, staat voor de Autoriteit Consument en Markt, voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht.
6. De Autoriteit Consument en Markt maakt de machtiging van de rechter-commissaris gelijktijdig met de zelfstandige last, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, bekend.
2. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie, de aanbieder van de tussenhandeldiensten, de geadresseerden van de maatregel en eventuele derden met een legitiem belang, bedoeld in artikel 51, derde lid, tweede alinea, tweede volzin, van de digitaledienstenverordening, horen alvorens te beslissen. <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/171" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering</a>is van overeenkomstige toepassing.
3. De Europese Commissie kan schriftelijke opmerkingen maken krachtens artikel 82, tweede lid, eerste alinea, van de digitaledienstenverordening indien zij de wens daartoe te kennen heeft gegeven. De rechter-commissaris kan daarvoor een termijn vaststellen. Met toestemming van de rechter-commissaris kan de Europese Commissie ook mondelinge opmerkingen maken.
4. In het geval van een verzoek ingevolge artikel 82, tweede lid, tweede alinea, van de digitaledienstenverordening, verstrekt de rechter-commissaris aan de Europese Commissie de in die bepaling bedoelde documenten.
5. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het eerste lid, staat voor de Autoriteit Consument en Markt, voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht.
6. De Autoriteit Consument en Markt maakt de machtiging van de rechter-commissaris gelijktijdig met de zelfstandige last, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, bekend.