1. De Rijksontvanger legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze, bedoeld in
artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2. Bij een toekenningsbeschikking op grond van deze regeling met een bedrag gelijk of onder de € 125.000 vindt geen accountantscontrole plaats, boven op de reguliere jaarrekeningcontrole door de accountant.
3. Indien de uitvoering van deze regeling volledig of gedeeltelijk door de Rijksontvanger aan het bestuur van een medeoverheid is opgedragen, kan voor de vaststelling van de specifieke uitkering de informatie, bedoeld in
art. 17a van de Financiële-verhoudingswet, mede in aanmerking worden genomen die de medeoverheid heeft verstrekt over het jaar waarop de vaststelling betrekking heeft.
4. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2, niet volledig door de Rijksontvanger is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet-bestede deel door de Minister teruggevorderd worden van de Rijksontvanger rekening houdend met de reserveringsregeling, bedoeld in artikel 5.
5. De Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de vaststelling aan de Rijksontvanger.
6. De bestedingen worden bij de vaststelling buiten aanmerking gelaten indien deze blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in
artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewetof
artikel 217, vierde, onderdeel b, van de Provinciewet, dat deel uitmaakt van de informatie, bedoeld in
artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, als fout of onzeker worden aangemerkt.
7. Indien de toepassing van het zesde lid naar het oordeel van de Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan hij de bestedingen die als fout of onzeker worden aangemerkt, in afwijking van het vierde lid, geheel of gedeeltelijk in aanmerking nemen bij de vaststelling.
8. Bij de vaststelling wordt uitgegaan van de gegevens waarvan de Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van de Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
9. Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen, stelt de Minister de specifieke uitkering ambtshalve vast.