De Minister wijst op aanvraag een haven of plaats voor aanlanding, overlading, lossen of onderhoudswerkzaamheden enkel aan indien de aanvrager aantoont dat:
a. de haven of plaats technisch geschikt is voor de activiteiten, bedoeld in de aanhef, waar de aanwijzing op van toepassing is;
b. de aanvraag past binnen het bestemmingsplan; en
c. de weegsystemen van de haven of plaats voldoen aan het gestelde bij of krachtens de controleverordening.
Bij de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in artikel 2houdt de Minister voorts rekening met:
a. de meerwaarde van de desbetreffende haven of plaats ten opzichte van de reeds aangewezen havens en plaatsen, gelet op het verwachte aantal aanlandingen in de desbetreffende haven of plaats en de voorzieningen van de reeds aangewezen havens en plaatsen;
b. het draagvlak bij de betrokken gemeenten en de raadpleging van betrokken ondernemers; en
c. de uitvoerbaarheid voor de NVWA.