BWBR0050259
Artikel 10
Gewijzigde Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2023
10.1
De hoogte van de gerealiseerde fte’s voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist
wordt door de NZa vastgesteld, waarbij:
a. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende
zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal instroomplaatsen en/of
instroom fte (medisch) specialist dat voor die zorgaanbieder in het verdeelplan is
vastgelegd. Als blijkt dat bij één of meerdere opleidingen het aantal aangevraagde
plaatsen en/of fte hoger is dan in het verdeelplan is opgenomen, dan zal de NZa het
aantal personen en/of fte neerwaarts bijstellen tot het maximum van het verdeelplan,
tenzij er sprake is van:
• Een (medisch) specialist in vooropleiding die in het instroomjaar niet de opleiding
volgt bij de opleidende zorgaanbieder waaraan de instroomplaats (medisch) specialist
is toegewezen. De instroomplaatsen van opleidingen met een vooropleiding zijn in het
verdeelplan toegewezen aan de zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd.
• Vervanging van een (medisch) specialist in opleiding binnen een instroomjaar, waardoor
het totaal aantal personen het verdeelplan kan overschrijden. Het aantal fte mag in
dit geval niet hoger zijn dan in het verdeelplan is opgenomen.
• Een opleiding radiotherapie, klinisch fysica of nucleaire geneeskunde6 waarbij de (medisch) specialist in opleiding in het instroomjaar bij twee verschillende
zorgaanbieders opleiding volgt. Alleen bij deze opleidingen is dit toegestaan.
b. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende
zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal opleidingsplaatsen
dat voor die zorgaanbieder in het verdeelplan is vastgelegd, tenzij er sprake is van
onderstaande uitzonderingen. Genoemde uitzonderingen moeten aan de hand van de hieronder
nader gespecificeerde documenten bij de aanvraag worden aangetoond.
De uitzonderingen zijn:
• Het intrekken van een opleidingserkenning van een opleidende zorgaanbieder waardoor
een andere opleidende zorgaanbieder een of meer opleidingsplaatsen boven het verdeelplan
kan aanvragen. Hier dient een besluit van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstituten
als genoemd in de artikelen 1.17 tot en met en 1.19 aan ten grondslag te liggen.
• Faillissement van een opleidende zorgaanbieder, waardoor een andere opleidende zorgaanbieder
een of meer opleidingsplaatsen boven het verdeelplan krijgt toegewezen. Hiervoor is
goedkeuring nodig van het nieuwe opleidingsschema door de relevante registratiecommissie
of de opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.17 tot en met 1.19.
• Fusie van twee of meer opleidende zorgaanbieders waardoor één zorgaanbieder of de
opvolgende rechtspersoon de opleidingsplaatsen krijgt toegewezen. Het totaal aantal
plaatsen en fte’s van de gefuseerde zorgaanbieders kan niet hoger zijn dan het aantal
plaatsen en fte’s van de afzonderlijke zorgaanbieders voor de fusie.
• Overplaatsing van de (medisch) specialist in opleiding door een uitspraak van een
geschillencommissie of een centrale opleidingscommissie vanuit een opleidende zorgaanbieder
naar een andere opleidende zorgaanbieder. De uitspraak moet bij de aanvraag tot vaststelling
gevoegd worden.
• Verlenging van de duur van de opleiding van de (medisch) specialist in opleiding vanwege
opleidingsinhoudelijke redenen. Hier dient een besluit van de registratiecommissie
of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.17 tot en met 1.19 aan ten grondslag te liggen waaruit blijkt dat de duur van de opleiding wordt verlengd.
c. Het aantal instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen
met een vooropleiding wordt vastgesteld op basis van de aanvraag tot vaststelling.
d. Een (medisch) specialist in opleiding7 een deel van de opleiding buiten Nederland kan volgen als er vooraf toestemming is
van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.17 tot en met 1.19.
Voorwaarden zijn:
• Het dienstverband en/of de arbeidsovereenkomst tussen de opleidende zorgaanbieder
en de (medisch) specialist in opleiding moet voortduren;
• De opleiding buiten Nederland is vastgelegd in het opleidingsschema;
• De opleiding buiten Nederland mag niet leiden tot verlenging van de duur van de opleiding.
10.2
De beschikbaarheidbijdrage kan naast de in artikel 9.5 genoemde omstandigheden lager worden vastgesteld als:
a. Een (medisch) specialist in opleiding (tijdelijk) stopt met de opleiding. Dit wordt
aangemerkt als uitval, ongeacht de reden daarvan. Als uitzondering op het voorgaande
zal de beschikbaarheidbijdrage in ieder geval niet lager worden vastgesteld indien
sprake is van:
• Uitval wegens van ziekte: een zieke (medisch) specialist in opleiding telt mee in
het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loondoorbetalingsverplichting
heeft; of
• onderbreking van de opleiding gedurende een geschil: de periode van onderbreking telt
mee in het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loonbetalingsverplichting
heeft.
b. De (medisch) specialist in opleiding tijd besteedt aan activiteiten die buiten de
opleiding vallen, bijvoorbeeld het verrichten van onderzoek.
c. De (medisch) specialist in opleiding vrijstellingen heeft en daardoor eerder gevolgde
onderdelen van de opleiding niet hoeft te volgen.
d. De opleiding (gedeeltelijk) in eigen tijd wordt gevolgd.
e. De (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar in dienst is
bij het Ministerie van Defensie. De opleiding wordt gevolgd bij een zorgaanbieder.
Het salaris van de (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar
wordt betaald door het Ministerie van Defensie.
10.3
De NZa houdt er bij de vaststelling van de definitieve beschikbaarheidbijdrage van
de opleidingen tot (medisch) specialist rekening mee dat:
a. Opleidingen niet altijd per 1 januari van het jaar beginnen.
b. Een (medisch) specialist in opleiding die een doorstroomplaats (medisch) specialist
bezet, gedurende het jaar kan wisselen van opleidende zorgaanbieder volgens de regels
van de registratiecommissie. De wijzigingen worden door de NZa verwerkt bij de vaststelling
van de beschikbaarheidbijdrage. Mutaties kunnen alleen plaatsvinden bij doorstroomplaatsen
(medisch) specialist in opleiding, met uitzondering van de situatie als genoemd in
artikel 1.14 sub b.
c. De opleidende zorgaanbieder een aanvraag indient voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage
van de instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen met
een vooropleiding. Gelet op artikel 6.2 vindt de bekostiging van deze vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding
volledig bij de vaststelling plaats.
d. Een instroomplaats (medisch) specialist in opleiding met een vooropleiding in het
verdeelplan wordt toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder waar de eindopleiding
wordt gevolgd.
10.4
De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt vastgesteld, waarbij:
a. Het aantal gerealiseerde fte per opleiding wordt bepaald, rekening houdend met de
criteria van de artikelen 10.1 tot en met 10.3. De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld door de Minister en geïndexeerd door de
NZa, worden bepaald per opleiding. Bij de berekening van de beschikbaarheidbijdrage
vergoedingsbedragen wordt er rekening gehouden met de staffel zoals omschreven in
artikel 6, tweede lid van de aanwijzing8.
b. In afwijking op artikel 10.4 sub a zijn de vergoedingsbedragen voor de opleidingen
tot gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog,
psychiater in de ggz, klinisch geriater in de ggz en verpleegkundig specialist in
de ggz en verslavingsarts door de NZa vastgesteld. Deze vergoedingsbedragen staan
in Bijlage 1 van deze beleidsregel. Bij de berekening van de beschikbaarheidbijdrage voor deze
opleidingen is met uitzondering van de opleiding tot verslavingsarts rekening gehouden
met de staffel zoals beschreven in artikel 6.7.
c. In afwijking op artikel 10.4 sub a zijn de vergoedingsbedragen voor de arts verstandelijk
gehandicapten, huisarts en specialist ouderengeneeskunde door de NZa vastgesteld.
Deze vergoedingsbijdragen staan in Bijlage 1 van deze beleidsregel.
d. In afwijking op artikel 10.4 sub a is het vergoedingsbedrag voor de sportarts door
de NZa vastgesteld. Dit vergoedingsbedrag staat in Bijlage 1 van deze beleidsregel.
e. Voor specifieke opleidingen van de in artikel 1.20 genoemde werkgevers is per opleiding een component voor onvoorziene kosten aan het
vergoedingsbedrag toegevoegd ter hoogte van 2% van het vergoedingsbedrag. Indien de
algemene reserve per opleiding op 31 december hoger is dan 10% van de totale omzet
uit de beschikbaarheidsbijdrage per opleiding exclusief de component voor onvoorziene
kosten, wordt de component voor onvoorziene kosten bij de vaststelling in mindering
gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.
De instelling dient bij de aanvraag tot vaststelling een jaarrekening in, voorzien
van een goedkeurende controleverklaring van de accountant. In de jaarrekening dient
onder het eigen vermogen de algemene reserve te zijn uitgesplitst naar elke opleiding
waarvoor een beschikbaarheidbijdrage is ontvangen.
f. Het aantal gerealiseerde fte per opleiding vermenigvuldigd wordt met het corresponderende
vergoedingsbedrag.
De hoogte van de gerealiseerde fte’s voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist
wordt door de NZa vastgesteld, waarbij:
a. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende
zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal instroomplaatsen en/of
instroom fte (medisch) specialist dat voor die zorgaanbieder in het verdeelplan is
vastgelegd. Als blijkt dat bij één of meerdere opleidingen het aantal aangevraagde
plaatsen en/of fte hoger is dan in het verdeelplan is opgenomen, dan zal de NZa het
aantal personen en/of fte neerwaarts bijstellen tot het maximum van het verdeelplan,
tenzij er sprake is van:
• Een (medisch) specialist in vooropleiding die in het instroomjaar niet de opleiding
volgt bij de opleidende zorgaanbieder waaraan de instroomplaats (medisch) specialist
is toegewezen. De instroomplaatsen van opleidingen met een vooropleiding zijn in het
verdeelplan toegewezen aan de zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd.
• Vervanging van een (medisch) specialist in opleiding binnen een instroomjaar, waardoor
het totaal aantal personen het verdeelplan kan overschrijden. Het aantal fte mag in
dit geval niet hoger zijn dan in het verdeelplan is opgenomen.
• Een opleiding radiotherapie, klinisch fysica of nucleaire geneeskunde6 waarbij de (medisch) specialist in opleiding in het instroomjaar bij twee verschillende
zorgaanbieders opleiding volgt. Alleen bij deze opleidingen is dit toegestaan.
b. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende
zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal opleidingsplaatsen
dat voor die zorgaanbieder in het verdeelplan is vastgelegd, tenzij er sprake is van
onderstaande uitzonderingen. Genoemde uitzonderingen moeten aan de hand van de hieronder
nader gespecificeerde documenten bij de aanvraag worden aangetoond.
De uitzonderingen zijn:
• Het intrekken van een opleidingserkenning van een opleidende zorgaanbieder waardoor
een andere opleidende zorgaanbieder een of meer opleidingsplaatsen boven het verdeelplan
kan aanvragen. Hier dient een besluit van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstituten
als genoemd in de artikelen 1.17 tot en met en 1.19 aan ten grondslag te liggen.
• Faillissement van een opleidende zorgaanbieder, waardoor een andere opleidende zorgaanbieder
een of meer opleidingsplaatsen boven het verdeelplan krijgt toegewezen. Hiervoor is
goedkeuring nodig van het nieuwe opleidingsschema door de relevante registratiecommissie
of de opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.17 tot en met 1.19.
• Fusie van twee of meer opleidende zorgaanbieders waardoor één zorgaanbieder of de
opvolgende rechtspersoon de opleidingsplaatsen krijgt toegewezen. Het totaal aantal
plaatsen en fte’s van de gefuseerde zorgaanbieders kan niet hoger zijn dan het aantal
plaatsen en fte’s van de afzonderlijke zorgaanbieders voor de fusie.
• Overplaatsing van de (medisch) specialist in opleiding door een uitspraak van een
geschillencommissie of een centrale opleidingscommissie vanuit een opleidende zorgaanbieder
naar een andere opleidende zorgaanbieder. De uitspraak moet bij de aanvraag tot vaststelling
gevoegd worden.
• Verlenging van de duur van de opleiding van de (medisch) specialist in opleiding vanwege
opleidingsinhoudelijke redenen. Hier dient een besluit van de registratiecommissie
of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.17 tot en met 1.19 aan ten grondslag te liggen waaruit blijkt dat de duur van de opleiding wordt verlengd.
c. Het aantal instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen
met een vooropleiding wordt vastgesteld op basis van de aanvraag tot vaststelling.
d. Een (medisch) specialist in opleiding7 een deel van de opleiding buiten Nederland kan volgen als er vooraf toestemming is
van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.17 tot en met 1.19.
Voorwaarden zijn:
• Het dienstverband en/of de arbeidsovereenkomst tussen de opleidende zorgaanbieder
en de (medisch) specialist in opleiding moet voortduren;
• De opleiding buiten Nederland is vastgelegd in het opleidingsschema;
• De opleiding buiten Nederland mag niet leiden tot verlenging van de duur van de opleiding.
10.2
De beschikbaarheidbijdrage kan naast de in artikel 9.5 genoemde omstandigheden lager worden vastgesteld als:
a. Een (medisch) specialist in opleiding (tijdelijk) stopt met de opleiding. Dit wordt
aangemerkt als uitval, ongeacht de reden daarvan. Als uitzondering op het voorgaande
zal de beschikbaarheidbijdrage in ieder geval niet lager worden vastgesteld indien
sprake is van:
• Uitval wegens van ziekte: een zieke (medisch) specialist in opleiding telt mee in
het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loondoorbetalingsverplichting
heeft; of
• onderbreking van de opleiding gedurende een geschil: de periode van onderbreking telt
mee in het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loonbetalingsverplichting
heeft.
b. De (medisch) specialist in opleiding tijd besteedt aan activiteiten die buiten de
opleiding vallen, bijvoorbeeld het verrichten van onderzoek.
c. De (medisch) specialist in opleiding vrijstellingen heeft en daardoor eerder gevolgde
onderdelen van de opleiding niet hoeft te volgen.
d. De opleiding (gedeeltelijk) in eigen tijd wordt gevolgd.
e. De (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar in dienst is
bij het Ministerie van Defensie. De opleiding wordt gevolgd bij een zorgaanbieder.
Het salaris van de (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar
wordt betaald door het Ministerie van Defensie.
10.3
De NZa houdt er bij de vaststelling van de definitieve beschikbaarheidbijdrage van
de opleidingen tot (medisch) specialist rekening mee dat:
a. Opleidingen niet altijd per 1 januari van het jaar beginnen.
b. Een (medisch) specialist in opleiding die een doorstroomplaats (medisch) specialist
bezet, gedurende het jaar kan wisselen van opleidende zorgaanbieder volgens de regels
van de registratiecommissie. De wijzigingen worden door de NZa verwerkt bij de vaststelling
van de beschikbaarheidbijdrage. Mutaties kunnen alleen plaatsvinden bij doorstroomplaatsen
(medisch) specialist in opleiding, met uitzondering van de situatie als genoemd in
artikel 1.14 sub b.
c. De opleidende zorgaanbieder een aanvraag indient voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage
van de instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen met
een vooropleiding. Gelet op artikel 6.2 vindt de bekostiging van deze vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding
volledig bij de vaststelling plaats.
d. Een instroomplaats (medisch) specialist in opleiding met een vooropleiding in het
verdeelplan wordt toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder waar de eindopleiding
wordt gevolgd.
10.4
De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt vastgesteld, waarbij:
a. Het aantal gerealiseerde fte per opleiding wordt bepaald, rekening houdend met de
criteria van de artikelen 10.1 tot en met 10.3. De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld door de Minister en geïndexeerd door de
NZa, worden bepaald per opleiding. Bij de berekening van de beschikbaarheidbijdrage
vergoedingsbedragen wordt er rekening gehouden met de staffel zoals omschreven in
artikel 6, tweede lid van de aanwijzing8.
b. In afwijking op artikel 10.4 sub a zijn de vergoedingsbedragen voor de opleidingen
tot gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog,
psychiater in de ggz, klinisch geriater in de ggz en verpleegkundig specialist in
de ggz en verslavingsarts door de NZa vastgesteld. Deze vergoedingsbedragen staan
in Bijlage 1 van deze beleidsregel. Bij de berekening van de beschikbaarheidbijdrage voor deze
opleidingen is met uitzondering van de opleiding tot verslavingsarts rekening gehouden
met de staffel zoals beschreven in artikel 6.7.
c. In afwijking op artikel 10.4 sub a zijn de vergoedingsbedragen voor de arts verstandelijk
gehandicapten, huisarts en specialist ouderengeneeskunde door de NZa vastgesteld.
Deze vergoedingsbijdragen staan in Bijlage 1 van deze beleidsregel.
d. In afwijking op artikel 10.4 sub a is het vergoedingsbedrag voor de sportarts door
de NZa vastgesteld. Dit vergoedingsbedrag staat in Bijlage 1 van deze beleidsregel.
e. Voor specifieke opleidingen van de in artikel 1.20 genoemde werkgevers is per opleiding een component voor onvoorziene kosten aan het
vergoedingsbedrag toegevoegd ter hoogte van 2% van het vergoedingsbedrag. Indien de
algemene reserve per opleiding op 31 december hoger is dan 10% van de totale omzet
uit de beschikbaarheidsbijdrage per opleiding exclusief de component voor onvoorziene
kosten, wordt de component voor onvoorziene kosten bij de vaststelling in mindering
gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.
De instelling dient bij de aanvraag tot vaststelling een jaarrekening in, voorzien
van een goedkeurende controleverklaring van de accountant. In de jaarrekening dient
onder het eigen vermogen de algemene reserve te zijn uitgesplitst naar elke opleiding
waarvoor een beschikbaarheidbijdrage is ontvangen.
f. Het aantal gerealiseerde fte per opleiding vermenigvuldigd wordt met het corresponderende
vergoedingsbedrag.