BWBR0050183
Geldig vanaf 2024-09-03
Artikel 3.17
Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
1. Onverminderd artikel 1.10dient de subsidieontvanger jaarlijks, totdat de aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend, een tussenrapportage in bij de minister, die informatie bevat over de uitvoering van de in artikel 3.4, tweede lid, bedoelde vereisten.
2. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt op welke tijdstippen verslag wordt gedaan.
3. De subsidieontvanger verstrekt de minister binnen twee weken na het aanvangen van de veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie als bedoeld in artikel 3.3, de volgende bescheiden:
a. indien de hervestigingslocatie is gelegen in Nederland, een bewijs waarmee wordt aangetoond dat het unieke registratienummer voor de hervestigingslocatie is geactiveerd;
b. een bewijs waarmee wordt aangetoond dat het unieke registratienummer voor de te verlaten veehouderijlocatie is beëindigd;
c. een afschrift van de getekende overeenkomst, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel g;
d. indien de hervestigingslocatie is gelegen in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, een verklaring dat de veehouderijonderneming is aangevangen op de hervestigingslocatie.
4. De subsidieontvanger verstrekt de minister binnen twee weken na verloop van de in artikel 3.16, eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijn informatie over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 3.4, tweede lid, onderdelen a tot en met f, bedoelde vereisten.
5. De in het eerste, derde en vierde lid bedoelde informatieverstrekking vindt plaats met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
6. Bij de in het vierde lid bedoelde informatieverstrekking worden de volgende bescheiden gevoegd:
a. een kopie van de omgevingsrechtelijke melding, dan wel intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel c;
b. een kopie van het besluit, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel d, of, indien dit besluit nog niet is vastgesteld, van de aanvraag daartoe; of
c. indien op de locatie na de sluiting andere activiteiten worden verricht, een kopie van het besluit, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel e, of, indien dit besluit nog niet is vastgesteld, van de aanvraag daartoe;
d. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel f, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.
7. De subsidieontvanger houdt zich aan de verplichtingen die hij jegens de Staat der Nederlanden is aangegaan op grond van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel g.
8. De subsidieontvanger stelt geen ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de te verlaten veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;
9. De subsidieontvanger beschikt over de voor de hervestigingslocatie benodigde vergunningen en toestemmingen om zijn veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie te kunnen aanvangen.
2. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt op welke tijdstippen verslag wordt gedaan.
3. De subsidieontvanger verstrekt de minister binnen twee weken na het aanvangen van de veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie als bedoeld in artikel 3.3, de volgende bescheiden:
a. indien de hervestigingslocatie is gelegen in Nederland, een bewijs waarmee wordt aangetoond dat het unieke registratienummer voor de hervestigingslocatie is geactiveerd;
b. een bewijs waarmee wordt aangetoond dat het unieke registratienummer voor de te verlaten veehouderijlocatie is beëindigd;
c. een afschrift van de getekende overeenkomst, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel g;
d. indien de hervestigingslocatie is gelegen in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, een verklaring dat de veehouderijonderneming is aangevangen op de hervestigingslocatie.
4. De subsidieontvanger verstrekt de minister binnen twee weken na verloop van de in artikel 3.16, eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijn informatie over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 3.4, tweede lid, onderdelen a tot en met f, bedoelde vereisten.
5. De in het eerste, derde en vierde lid bedoelde informatieverstrekking vindt plaats met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
6. Bij de in het vierde lid bedoelde informatieverstrekking worden de volgende bescheiden gevoegd:
a. een kopie van de omgevingsrechtelijke melding, dan wel intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel c;
b. een kopie van het besluit, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel d, of, indien dit besluit nog niet is vastgesteld, van de aanvraag daartoe; of
c. indien op de locatie na de sluiting andere activiteiten worden verricht, een kopie van het besluit, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel e, of, indien dit besluit nog niet is vastgesteld, van de aanvraag daartoe;
d. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel f, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.
7. De subsidieontvanger houdt zich aan de verplichtingen die hij jegens de Staat der Nederlanden is aangegaan op grond van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel g.
8. De subsidieontvanger stelt geen ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de te verlaten veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;
9. De subsidieontvanger beschikt over de voor de hervestigingslocatie benodigde vergunningen en toestemmingen om zijn veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie te kunnen aanvangen.