BWBR0050162
Artikel 9
Beleidsregel Kostprijsonderzoek over 2023 ten behoeve van tarieven ggz Setting 1, BR/REG-24153
Dit artikel beschrijft het beleid dat de NZa hanteert om na toepassing van het toetsingskader
van kostprijzen tot tarieven te komen. Ook wordt beschreven hoe tarieven worden vastgesteld
voor prestaties waarbij er een andere basis is dan de kostenuitvraag.
Uitgangspunten
9.1 De NZa heeft in de ‘Beleidsregel Algemeen kader tariefprincipes’ opgenomen welke uitgangspunten
de NZa hanteert bij het vaststellen van tarieven. Het beleid voor de tarieven in de
Zvw, Wlz en de fz sluit hierop aan.
Weging met volumes
9.2 Om te komen tot landelijke gemiddelde kostprijzen, die de basis vormen voor de tarieven,
wegen we alle individuele kostprijzen met de volumes van de betreffende kostprijs.
Gedeelde prestaties
9.3 Een deel van de prestaties (groepsconsulten, overige prestaties en toeslagen) worden
zowel door vrijgevestigden als instellingen geleverd. Deze prestaties staan los van
een specifieke setting. Om hier tot een landelijk gemiddelde kostprijs te komen worden
de kostprijzen van de vrijgevestigden en de instellingen samen genomen.
Ondernemingsfinanciering vrijgevestigden
9.4 In de tarieven voor vrijgevestigden wordt een adequate vergoeding opgenomen voor de
financiering van materiele vaste activa en werkkapitaal.
Deze posten samen worden geacht deels gefinancierd te zijn via eigen vermogen en deels
met rentedragende financiering (vreemd vermogen). Om die rentedragende financiering
te bekostigen nemen we de werkelijk betaalde rentekosten mee in de kostprijzen.
Op basis van de uitvraag wordt bepaald wat de werkelijke omvang is van het eigen vermogen
ten opzichte van het totaal vermogen. Voor het aanhouden van eigen vermogen, waarmee
bovenstaande posten deels gefinancierd worden, berekenen we een vergoeding tegen een
passend rentepercentage. Dit onderdeel noemen we ook wel de VGREV, vergoeding rendement
gederfd eigen vermogen, en voegen we toe aan de berekende landelijke kostprijzen.
Ontwikkelingen na bronjaar 2023
9.5 De NZa hanteert het principe dat we kiezen voor één bronjaar en dat het gekozen bronjaar
een relatief normaal jaar is qua ontwikkelingen in de sector. In zijn algemeenheid
geldt dat elk jaar uniek is maar pas bij aanzienlijke ontwikkelingen, ter beoordeling
aan de NZa, worden aanpassingen gedaan voor tussentijdse wijzigingen na het uitvraagjaar.
Afwijken ten opzichte van het bronjaar is bovendien alleen mogelijk als dit objectief
vast te stellen en te kwantificeren is.
In het geval er na 2023 nieuwe prestaties ontstaan, wordt in het onderhoudsoverleg
besproken hoe daar tarieven voor worden bepaald.
Wijzigingen in wet- en regelgeving
9.6 Zoals beschreven, zijn de werkelijke kosten in 2023 het uitgangspunt en voor de tarieven.
Indien ten tijde van de uitvoering van het kostprijsonderzoek veranderingen in wet-
en regelgeving en/of verplichte kwaliteitsstandaarden bekend zijn die leiden tot een
objectief kwantitatief vast te stellen verandering in de verwachte kosten, verwerkt
de NZa deze in de tarieven indien dit naar het oordeel van de NZa tevens significant
is.
In het voorjaar van 2025 brengt de NZa de ontwikkeling in kaart met hun effecten en
de mate waarin die objectief bepaalbaar zijn. Daar waar effecten substantieel zijn
kan dat leiden tot aanpassing van tarieven.
Indexering
9.7 Kosten en tarieven worden geïndexeerd naar het prijspeil van het jaar waarin de tarieven
zullen gelden. Dit vindt plaats op basis van prijsindexcijfers zoals die door VWS
via een brief met ons worden gedeeld. Het kostprijsonderzoek levert kostprijzen van
2023 op, die vervolgens worden geïndexeerd tot het prijsniveau 2026.
Omdat de definitieve prijsindexcijfers niet vóór het vaststellen van tarieven bekend
zijn, worden voorlopige prijsindexcijfers gehanteerd. De definitieve prijsindexcijfers
landen in de indexatie van tarieven voor het opvolgende jaar.
Tarief jaar t = Tarief jaar t-1 / (1+voorlopige index t-1) * (1+definitieve index
t-1) * (1+voorlopige index jaar t)
Voor de verschillende prestaties wordt dit als volgt uitgewerkt:
a) ZPM-prestaties
Voor de ZPM-prestaties geldt vervolgens dat indexering plaatsvindt op basis van een
verhouding tussen het prijsindexcijfer personele kosten en het prijsindexcijfer materiële
kosten. De volgende verhouding wordt toepast:
• 85% index personele kosten / 15% materiële kosten voor de tarieven van consulten,
overige prestaties en toeslagen op consulten.
Als prestaties, of onderdelen van prestaties, zijn afgeleid van andere prestaties
of andere sectoren, dan volgt de NZa in beginsel de indexatie van die sector.
b) Beschikbaarheidbijdrage mvo ggz
De indexering van de bb-mvo-ggz wordt beschreven in de beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage
(medische) vervolgopleidingen.
Verantwoording
9.8 De NZa draagt zorg voor een verantwoordingdocument over de overwegingen en gemaakte
keuzes. Het verantwoordingsdocument geeft inzicht in:
– de selectie van de zorgaanbieders voor dit onderzoek
– het uitvraagproces
– de uitgevoerde correcties op de database;
– de uitgevoerde spreidingsanalyse;
– de wijze waarop de database is geschoond;
– de uitgevoerde steekproefcontrole op de opgeschoonde database;
– de berekening van de kostprijzen per beroep;
– de validatie van de kostprijzen
– waar en waarom afgeweken is van de beleidsregel en de bespreking hiervan met de klankbordgroep
– de uitgevoerde onafhankelijk audit(s)
– het verloop van de duidingssessies
– een impactanalyse. Deze analyse gaat zowel in op de macro-effecten van de nieuwe tarieven
als op de effecten voor specifieke groepen zorgaanbieders met specifieke prestaties
en/of settingen voor zover die onevenredig geraakt worden.
De NZa maakt het verantwoordingsdocument openbaar na afronding van het kostprijsonderzoek.
van kostprijzen tot tarieven te komen. Ook wordt beschreven hoe tarieven worden vastgesteld
voor prestaties waarbij er een andere basis is dan de kostenuitvraag.
Uitgangspunten
9.1 De NZa heeft in de ‘Beleidsregel Algemeen kader tariefprincipes’ opgenomen welke uitgangspunten
de NZa hanteert bij het vaststellen van tarieven. Het beleid voor de tarieven in de
Zvw, Wlz en de fz sluit hierop aan.
Weging met volumes
9.2 Om te komen tot landelijke gemiddelde kostprijzen, die de basis vormen voor de tarieven,
wegen we alle individuele kostprijzen met de volumes van de betreffende kostprijs.
Gedeelde prestaties
9.3 Een deel van de prestaties (groepsconsulten, overige prestaties en toeslagen) worden
zowel door vrijgevestigden als instellingen geleverd. Deze prestaties staan los van
een specifieke setting. Om hier tot een landelijk gemiddelde kostprijs te komen worden
de kostprijzen van de vrijgevestigden en de instellingen samen genomen.
Ondernemingsfinanciering vrijgevestigden
9.4 In de tarieven voor vrijgevestigden wordt een adequate vergoeding opgenomen voor de
financiering van materiele vaste activa en werkkapitaal.
Deze posten samen worden geacht deels gefinancierd te zijn via eigen vermogen en deels
met rentedragende financiering (vreemd vermogen). Om die rentedragende financiering
te bekostigen nemen we de werkelijk betaalde rentekosten mee in de kostprijzen.
Op basis van de uitvraag wordt bepaald wat de werkelijke omvang is van het eigen vermogen
ten opzichte van het totaal vermogen. Voor het aanhouden van eigen vermogen, waarmee
bovenstaande posten deels gefinancierd worden, berekenen we een vergoeding tegen een
passend rentepercentage. Dit onderdeel noemen we ook wel de VGREV, vergoeding rendement
gederfd eigen vermogen, en voegen we toe aan de berekende landelijke kostprijzen.
Ontwikkelingen na bronjaar 2023
9.5 De NZa hanteert het principe dat we kiezen voor één bronjaar en dat het gekozen bronjaar
een relatief normaal jaar is qua ontwikkelingen in de sector. In zijn algemeenheid
geldt dat elk jaar uniek is maar pas bij aanzienlijke ontwikkelingen, ter beoordeling
aan de NZa, worden aanpassingen gedaan voor tussentijdse wijzigingen na het uitvraagjaar.
Afwijken ten opzichte van het bronjaar is bovendien alleen mogelijk als dit objectief
vast te stellen en te kwantificeren is.
In het geval er na 2023 nieuwe prestaties ontstaan, wordt in het onderhoudsoverleg
besproken hoe daar tarieven voor worden bepaald.
Wijzigingen in wet- en regelgeving
9.6 Zoals beschreven, zijn de werkelijke kosten in 2023 het uitgangspunt en voor de tarieven.
Indien ten tijde van de uitvoering van het kostprijsonderzoek veranderingen in wet-
en regelgeving en/of verplichte kwaliteitsstandaarden bekend zijn die leiden tot een
objectief kwantitatief vast te stellen verandering in de verwachte kosten, verwerkt
de NZa deze in de tarieven indien dit naar het oordeel van de NZa tevens significant
is.
In het voorjaar van 2025 brengt de NZa de ontwikkeling in kaart met hun effecten en
de mate waarin die objectief bepaalbaar zijn. Daar waar effecten substantieel zijn
kan dat leiden tot aanpassing van tarieven.
Indexering
9.7 Kosten en tarieven worden geïndexeerd naar het prijspeil van het jaar waarin de tarieven
zullen gelden. Dit vindt plaats op basis van prijsindexcijfers zoals die door VWS
via een brief met ons worden gedeeld. Het kostprijsonderzoek levert kostprijzen van
2023 op, die vervolgens worden geïndexeerd tot het prijsniveau 2026.
Omdat de definitieve prijsindexcijfers niet vóór het vaststellen van tarieven bekend
zijn, worden voorlopige prijsindexcijfers gehanteerd. De definitieve prijsindexcijfers
landen in de indexatie van tarieven voor het opvolgende jaar.
Tarief jaar t = Tarief jaar t-1 / (1+voorlopige index t-1) * (1+definitieve index
t-1) * (1+voorlopige index jaar t)
Voor de verschillende prestaties wordt dit als volgt uitgewerkt:
a) ZPM-prestaties
Voor de ZPM-prestaties geldt vervolgens dat indexering plaatsvindt op basis van een
verhouding tussen het prijsindexcijfer personele kosten en het prijsindexcijfer materiële
kosten. De volgende verhouding wordt toepast:
• 85% index personele kosten / 15% materiële kosten voor de tarieven van consulten,
overige prestaties en toeslagen op consulten.
Als prestaties, of onderdelen van prestaties, zijn afgeleid van andere prestaties
of andere sectoren, dan volgt de NZa in beginsel de indexatie van die sector.
b) Beschikbaarheidbijdrage mvo ggz
De indexering van de bb-mvo-ggz wordt beschreven in de beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage
(medische) vervolgopleidingen.
Verantwoording
9.8 De NZa draagt zorg voor een verantwoordingdocument over de overwegingen en gemaakte
keuzes. Het verantwoordingsdocument geeft inzicht in:
– de selectie van de zorgaanbieders voor dit onderzoek
– het uitvraagproces
– de uitgevoerde correcties op de database;
– de uitgevoerde spreidingsanalyse;
– de wijze waarop de database is geschoond;
– de uitgevoerde steekproefcontrole op de opgeschoonde database;
– de berekening van de kostprijzen per beroep;
– de validatie van de kostprijzen
– waar en waarom afgeweken is van de beleidsregel en de bespreking hiervan met de klankbordgroep
– de uitgevoerde onafhankelijk audit(s)
– het verloop van de duidingssessies
– een impactanalyse. Deze analyse gaat zowel in op de macro-effecten van de nieuwe tarieven
als op de effecten voor specifieke groepen zorgaanbieders met specifieke prestaties
en/of settingen voor zover die onevenredig geraakt worden.
De NZa maakt het verantwoordingsdocument openbaar na afronding van het kostprijsonderzoek.