BWBR0049962
Geldig vanaf 2025-03-01
Artikel 2.3
Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
1. Als deelnemers van het Financieel Expertisecentrum worden aangewezen:
a. het openbaar ministerie, voor de uitoefening van de in artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
b. de politie, voor de uitoefening van de taak bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012 en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
c. de Financiële inlichtingen eenheid, voor de taak, bedoeld in artikel 13 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
d. de rijksbelastingdienst, met in begrip van alle onderdelen daarvan, bedoeld in de op artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gebaseerde ministeriële regeling, voor het uitoefenen van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de belastingwet, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van voornoemde wet, de Invorderingswet 1990 en het toezicht op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
e. de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
f. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor de uitoefening van haar wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Wet handhaving consumentenbescherming, Wet op het financieel toezicht, Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Wet toezicht accountantsorganisaties, Wet toezicht financiële verslaggeving, Pensioenwet, Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Sanctiewet 1977 en bindende rechtshandelingen van de Europese Unie;
g. De Nederlandsche Bank N.V., voor de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Bankwet 1998, Wet op het financieel toezicht, Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Wet toezicht trustkantoren 2018, Pensioenwet, Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Sanctiewet 1977, Wet toezicht effectenverkeer 1995, en bindende rechtshandelingen van de Europese Unie;
h. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen overheidsorganen of overheidsinstanties en private partijen, voor zover dat noodzakelijk is voor het doel van het samenwerkingsverband en het om daarbij beschreven specifieke verwerkingen of onderdelen daarvan gaat.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onder h, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3. Een krachtens het eerste lid, onder h, vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
a. het openbaar ministerie, voor de uitoefening van de in artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
b. de politie, voor de uitoefening van de taak bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012 en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
c. de Financiële inlichtingen eenheid, voor de taak, bedoeld in artikel 13 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
d. de rijksbelastingdienst, met in begrip van alle onderdelen daarvan, bedoeld in de op artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gebaseerde ministeriële regeling, voor het uitoefenen van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de belastingwet, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van voornoemde wet, de Invorderingswet 1990 en het toezicht op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
e. de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
f. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor de uitoefening van haar wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Wet handhaving consumentenbescherming, Wet op het financieel toezicht, Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Wet toezicht accountantsorganisaties, Wet toezicht financiële verslaggeving, Pensioenwet, Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Sanctiewet 1977 en bindende rechtshandelingen van de Europese Unie;
g. De Nederlandsche Bank N.V., voor de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Bankwet 1998, Wet op het financieel toezicht, Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Wet toezicht trustkantoren 2018, Pensioenwet, Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Sanctiewet 1977, Wet toezicht effectenverkeer 1995, en bindende rechtshandelingen van de Europese Unie;
h. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen overheidsorganen of overheidsinstanties en private partijen, voor zover dat noodzakelijk is voor het doel van het samenwerkingsverband en het om daarbij beschreven specifieke verwerkingen of onderdelen daarvan gaat.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onder h, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3. Een krachtens het eerste lid, onder h, vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.