BWBR0049962
Geldig vanaf 2025-03-01
Artikel 2.19
Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
1. Als deelnemers worden aangewezen:
a. de politie, voor de uitoefening van de taak bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012 en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
b. de rijksbelastingdienst, met in begrip van alle onderdelen daarvan, bedoeld in de op artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gebaseerde ministeriële regeling, voor het uitvoeren van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de belastingwet, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Algemene douanewet en het Douanewetboek van de Unie, en de hoofdstukken 2 en 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
c. de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, voor de uitoefening van de wettelijke taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
d. de Koninklijke marechaussee, voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens artikel 4 van de Politiewet 2012;
e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, voor de uitvoering van de wettelijke taken en bevoegdheden op het terrein van toezicht en handhaving bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 en de Rijkswet op het Nederlanderschap;
g. het openbaar ministerie, voor de uitoefening van de in artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
h. de burgemeester voor de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden op het terrein van de handhaving van de openbare orde bij of krachtens hoofdstuk XI van titel III van de Gemeentewet, paragraaf 2.3 van de Politiewet 2012, artikel 13b van de Opiumwet of een gemeentelijke verordening en voor de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens artikel 3 en de paragrafen 4 tot en met 7 van de Alcoholwet, paragraaf 2 van titel VA, titel VIa en titel VIb van de Wet op de kansspelen en de artikelen 26 tot en met 28 van de Paspoortwet;
i. het college van burgemeester en wethouders voor de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens hoofdstuk X van titel III en hoofdstuk XV van titel IV, van de Gemeentewet, titels I, Ia en VIb van de Wet op de kansspelen, de artikelen 5, 10, 10b en 10c van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, artikel 7 van de Participatiewet, de hoofdstukken 2, 3 en 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 17 en hoofdstuk VI van de Woningwet, de artikelen 8, 21, 22, 25 en 26 en hoofdstuk 6 van de Huisvestingswet 2014, artikel 1.4, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen en de wettelijke taken en bevoegdheden op het terrein van toezicht en handhaving bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en een gemeentelijke verordening;
j. het provinciebestuur voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Provinciewet, de hoofdstukken 2, 3 en 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of een provinciale verordening;
k. de Nederlandse Arbeidsinspectie, voor de uitoefening van de wettelijke taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden en de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 8:1 van de Arbeidstijdenwet, de Warenwet, artikel 13 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, artikel 14 van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 18a van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet op de loonvorming en artikel 5 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie.
l. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, voor de uitoefening van de wettelijke taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wettelijke taken en bevoegdheden van de deelnemers waarvoor gegevens kunnen worden verwerkt binnen de Regionale Informatie- en Expertisecentra.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere overheidsorganen of overheidsinstanties of private partijen als deelnemer worden aangewezen, voor zover dat noodzakelijk is voor het doel, bedoeld in artikel 2.17, en het om daarbij beschreven specifieke verwerkingen of onderdelen daarvan gaat. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Een krachtens dit lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers van de Staten Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
a. de politie, voor de uitoefening van de taak bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012 en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
b. de rijksbelastingdienst, met in begrip van alle onderdelen daarvan, bedoeld in de op artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gebaseerde ministeriële regeling, voor het uitvoeren van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de belastingwet, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Algemene douanewet en het Douanewetboek van de Unie, en de hoofdstukken 2 en 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
c. de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, voor de uitoefening van de wettelijke taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
d. de Koninklijke marechaussee, voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens artikel 4 van de Politiewet 2012;
e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, voor de uitvoering van de wettelijke taken en bevoegdheden op het terrein van toezicht en handhaving bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 en de Rijkswet op het Nederlanderschap;
g. het openbaar ministerie, voor de uitoefening van de in artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
h. de burgemeester voor de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden op het terrein van de handhaving van de openbare orde bij of krachtens hoofdstuk XI van titel III van de Gemeentewet, paragraaf 2.3 van de Politiewet 2012, artikel 13b van de Opiumwet of een gemeentelijke verordening en voor de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens artikel 3 en de paragrafen 4 tot en met 7 van de Alcoholwet, paragraaf 2 van titel VA, titel VIa en titel VIb van de Wet op de kansspelen en de artikelen 26 tot en met 28 van de Paspoortwet;
i. het college van burgemeester en wethouders voor de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens hoofdstuk X van titel III en hoofdstuk XV van titel IV, van de Gemeentewet, titels I, Ia en VIb van de Wet op de kansspelen, de artikelen 5, 10, 10b en 10c van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, artikel 7 van de Participatiewet, de hoofdstukken 2, 3 en 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 17 en hoofdstuk VI van de Woningwet, de artikelen 8, 21, 22, 25 en 26 en hoofdstuk 6 van de Huisvestingswet 2014, artikel 1.4, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen en de wettelijke taken en bevoegdheden op het terrein van toezicht en handhaving bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en een gemeentelijke verordening;
j. het provinciebestuur voor de uitoefening van de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens de Provinciewet, de hoofdstukken 2, 3 en 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of een provinciale verordening;
k. de Nederlandse Arbeidsinspectie, voor de uitoefening van de wettelijke taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden en de wettelijke taken en bevoegdheden bij of krachtens artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 8:1 van de Arbeidstijdenwet, de Warenwet, artikel 13 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, artikel 14 van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 18a van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet op de loonvorming en artikel 5 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie.
l. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, voor de uitoefening van de wettelijke taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wettelijke taken en bevoegdheden van de deelnemers waarvoor gegevens kunnen worden verwerkt binnen de Regionale Informatie- en Expertisecentra.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere overheidsorganen of overheidsinstanties of private partijen als deelnemer worden aangewezen, voor zover dat noodzakelijk is voor het doel, bedoeld in artikel 2.17, en het om daarbij beschreven specifieke verwerkingen of onderdelen daarvan gaat. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Een krachtens dit lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers van de Staten Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.