1. De opsporingsbevoegdheid, als bedoeld in
artikel 108, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, van de buitengewoon opsporingsambtenaar strekt zich mede uit over de feiten, strafbaar gesteld in de
artikelen 285,
300,
310en
350 van het Wetboek van Strafrecht.
2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van de handhaving en toezichtlocatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers in Hoogeveen, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen, als bedoeld in
artikel 47 van de Vreemdelingenwet 2000, waarmee de opsporingsambtenaar op grond van
artikel 4.1, eerste lid, onder d, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000is belast.