BWBR0049111
Geldig vanaf 2023-12-31
Artikel 5.1
Wet minimumbelasting 2024
1. Belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing is een in Nederland gevestigde groepsentiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, niet zijnde een beleggingsentiteit, die behoort tot een multinationale groep waarvan een of meer laagbelaste groepsentiteiten deel uitmaken en waarvan de uiteindelijkemoederentiteit:
a. een uitgesloten entiteit is;
b. is gevestigd in een derde staat die: 1°. geen kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toepast ter zake van laagbelaste groepsentiteiten die zijn gevestigd in een andere staat;
2°. geen kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toepast ter zake van die uiteindelijkemoederentiteit of haar in dezelfde staat gevestigde groepsentiteiten indien die staat een laagbelastende staat is; of
1°. geen kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toepast ter zake van laagbelaste groepsentiteiten die zijn gevestigd in een andere staat;
2°. geen kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toepast ter zake van die uiteindelijkemoederentiteit of haar in dezelfde staat gevestigde groepsentiteiten indien die staat een laagbelastende staat is; of
c. is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie die op grond van artikel 50, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2022/2523 ervoor heeft gekozen om de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel niet toe te passen met betrekking tot verslagjaren die aanvangen voor 31 december 2029.
2. Indien meerdere in Nederland gevestigde groepsentiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, niet zijnde beleggingsentiteiten, behoren tot een multinationale groep als bedoeld in het eerste lid, is belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing:
a. de in Nederland gevestigde moederentiteit waarvan het belang niet onmiddellijk of middellijk wordt gehouden door een andere in Nederland gevestigde moederentiteit; of
b. indien er meerdere in Nederland gevestigde moederentiteiten als bedoeld in onderdeel a zijn of er geen in Nederland gevestigde moederentiteit is: een daartoe door de groep of de inspecteur aangewezen in Nederland gevestigde groepsentiteit.
3. Indien het tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, wordt, al dan niet op verzoek van een in Nederland gevestigde groepsentiteit, bij voor bezwaar vatbare beschikking door de inspecteur vastgesteld welke groepsentiteit belastingplichtig is voor de onderbelastewinstbijheffing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld waaraan het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet voldoen.
5. De in Nederland gevestigde groepsentiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, in samenhang met het tweede lid, is slechts belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen voor 31 december 2029.
a. een uitgesloten entiteit is;
b. is gevestigd in een derde staat die: 1°. geen kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toepast ter zake van laagbelaste groepsentiteiten die zijn gevestigd in een andere staat;
2°. geen kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toepast ter zake van die uiteindelijkemoederentiteit of haar in dezelfde staat gevestigde groepsentiteiten indien die staat een laagbelastende staat is; of
1°. geen kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toepast ter zake van laagbelaste groepsentiteiten die zijn gevestigd in een andere staat;
2°. geen kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toepast ter zake van die uiteindelijkemoederentiteit of haar in dezelfde staat gevestigde groepsentiteiten indien die staat een laagbelastende staat is; of
c. is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie die op grond van artikel 50, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2022/2523 ervoor heeft gekozen om de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel niet toe te passen met betrekking tot verslagjaren die aanvangen voor 31 december 2029.
2. Indien meerdere in Nederland gevestigde groepsentiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, niet zijnde beleggingsentiteiten, behoren tot een multinationale groep als bedoeld in het eerste lid, is belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing:
a. de in Nederland gevestigde moederentiteit waarvan het belang niet onmiddellijk of middellijk wordt gehouden door een andere in Nederland gevestigde moederentiteit; of
b. indien er meerdere in Nederland gevestigde moederentiteiten als bedoeld in onderdeel a zijn of er geen in Nederland gevestigde moederentiteit is: een daartoe door de groep of de inspecteur aangewezen in Nederland gevestigde groepsentiteit.
3. Indien het tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, wordt, al dan niet op verzoek van een in Nederland gevestigde groepsentiteit, bij voor bezwaar vatbare beschikking door de inspecteur vastgesteld welke groepsentiteit belastingplichtig is voor de onderbelastewinstbijheffing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld waaraan het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet voldoen.
5. De in Nederland gevestigde groepsentiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, in samenhang met het tweede lid, is slechts belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen voor 31 december 2029.