BWBR0049111
Geldig vanaf 2023-12-31
Artikel 14.4
Wet minimumbelasting 2024
1. Indien het overgangsjaar eindigt vóór 31 december 2024 of het verslagjaar eindigt vóór 31 maart 2025:
a. worden, in afwijking van artikel 13.1, zevende lid, en artikel 14.3, derde lid, de bijheffing-informatieaangifte en de kennisgeving met betrekking tot dat overgangsjaar of verslagjaar vóór 1 juli 2026 ingediend;
b. verstrijkt de termijn voor het doen van aangifte, in afwijking van artikel 10, tweede lid, eerste zin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 11.1, tweede lid, en 14.3, eerste lid, niet eerder dan 1 september 2026;
c. is de belastingplichtige, in afwijking van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 11.1, derde lid, en 14.3, tweede lid, gehouden vóór 1 september 2026 de belasting over dat overgangsjaar of verslagjaar overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen;
d. vervalt de bevoegdheid tot naheffing, in afwijking van artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 11.2, eerste en tweede lid, op 1 augustus 2031;
e. vervalt de inlichtingenverplichting, bedoeld in artikel 12.2, eerste lid, in afwijking van artikel 12.2, derde en vierde lid, op 1 augustus 2031;
f. vervalt, in afwijking van de artikelen 67c, derde lid, en 67f, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 12.3, tweede en derde lid, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van die artikelen op 1 augustus 2031;
g. vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete, bedoeld in artikel 12.4, eerste lid, in afwijking van artikel 12.4, vierde en vijfde lid, op 1 augustus 2031.
2. Ten aanzien van het overgangsjaar dat eindigt vóór 31 december 2024 of het verslagjaar dat eindigt vóór 31 maart 2025 is artikel 12.1van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 12.1, tweede, derde, vierde en zesde lid, voor « artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid» wordt gelezen « artikel 14.1, eerste lid, onderdeel c,».
a. worden, in afwijking van artikel 13.1, zevende lid, en artikel 14.3, derde lid, de bijheffing-informatieaangifte en de kennisgeving met betrekking tot dat overgangsjaar of verslagjaar vóór 1 juli 2026 ingediend;
b. verstrijkt de termijn voor het doen van aangifte, in afwijking van artikel 10, tweede lid, eerste zin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 11.1, tweede lid, en 14.3, eerste lid, niet eerder dan 1 september 2026;
c. is de belastingplichtige, in afwijking van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 11.1, derde lid, en 14.3, tweede lid, gehouden vóór 1 september 2026 de belasting over dat overgangsjaar of verslagjaar overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen;
d. vervalt de bevoegdheid tot naheffing, in afwijking van artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 11.2, eerste en tweede lid, op 1 augustus 2031;
e. vervalt de inlichtingenverplichting, bedoeld in artikel 12.2, eerste lid, in afwijking van artikel 12.2, derde en vierde lid, op 1 augustus 2031;
f. vervalt, in afwijking van de artikelen 67c, derde lid, en 67f, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 12.3, tweede en derde lid, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van die artikelen op 1 augustus 2031;
g. vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete, bedoeld in artikel 12.4, eerste lid, in afwijking van artikel 12.4, vierde en vijfde lid, op 1 augustus 2031.
2. Ten aanzien van het overgangsjaar dat eindigt vóór 31 december 2024 of het verslagjaar dat eindigt vóór 31 maart 2025 is artikel 12.1van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 12.1, tweede, derde, vierde en zesde lid, voor « artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid» wordt gelezen « artikel 14.1, eerste lid, onderdeel c,».