BWBR0049111
Geldig vanaf 2023-12-31
Artikel 12.1
Wet minimumbelasting 2024
1. Met betrekking tot een naheffingsaanslag wordt aan degene ten name van wie de naheffingsaanslag is gesteld belastingrente in rekening gebracht.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op de laatste dag van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is ingevolge <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9 van de Invorderingswet 1990</a>en heeft als grondslag de nageheven belasting.
3. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de naheffingsaanslag het gevolg is van een verzoek dat is gedaan binnen twee maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn voor het verslagjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. Onder verzoek wordt onder meer verstaan een herziening van een aangifte (suppletie).
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor zover de belasting te laat, doch voordat een naheffingsaanslag is vastgesteld, wordt betaald, behoudens indien de betaling plaatsvindt binnen twee maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn. Belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op de laatste dag van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn en eindigt op de dag van betaling en heeft als grondslag het bedrag van de te laat betaalde belasting.
5. De <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30h" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 30h, derde en zesde lid</a>, <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30hb" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">30hb</a>, <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30ia" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">30ia</a>en <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30j" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">30j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
6. <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30ha" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 30ha, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</a>is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de minimumbelasting, met dien verstande dat daarbij voor «3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft» wordt gelezen «2 maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, van de Wet minimumbelasting 2024 gestelde betalingstermijn voor het verslagjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft».
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op de laatste dag van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is ingevolge <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9 van de Invorderingswet 1990</a>en heeft als grondslag de nageheven belasting.
3. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de naheffingsaanslag het gevolg is van een verzoek dat is gedaan binnen twee maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn voor het verslagjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. Onder verzoek wordt onder meer verstaan een herziening van een aangifte (suppletie).
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor zover de belasting te laat, doch voordat een naheffingsaanslag is vastgesteld, wordt betaald, behoudens indien de betaling plaatsvindt binnen twee maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn. Belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op de laatste dag van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn en eindigt op de dag van betaling en heeft als grondslag het bedrag van de te laat betaalde belasting.
5. De <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30h" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 30h, derde en zesde lid</a>, <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30hb" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">30hb</a>, <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30ia" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">30ia</a>en <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30j" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">30j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
6. <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30ha" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 30ha, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</a>is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de minimumbelasting, met dien verstande dat daarbij voor «3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft» wordt gelezen «2 maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, van de Wet minimumbelasting 2024 gestelde betalingstermijn voor het verslagjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft».