De buitengewoon agent van politie is, zodra hij met goed gevolg de opleiding aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden heeft voltooid, bevoegd bij het opsporen van de in artikel 3 genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, juncto
artikel 13 van de Rijkswet Politie van Curaçao, van Sint-Maarten en van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Hij gedraagt zich overeenkomstig de op hem van toepassing zijnde Ambtsinstructie.