1. De minister kent een hoofdbewoner op aanvraag een vergoeding toe voor schade die in de vorm van gederfd woongenot als vermogensschade is geleden door een overschrijding van een grenswaarde in een relevant gebruiksjaar waartegen door de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport niet op grond van
artikel 8.22 van de Wet luchtvaarthandhavend is opgetreden, en dit niet handhavend optreden het gevolg was van het toepassen van de regels voor strikt preferentieel baangebruik, bedoeld in de ontwerpwijziging van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (Kamerstukken II 2020-2021, 29 665, nr. 399 en www.platformparticipatie.nl/luchthavenverkeerbesluit), die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.
2. Voor vergoeding van schade komt in aanmerking de hoofdbewoner die in een relevant gebruiksjaar gedurende het hele jaar of een gedeelte daarvan een woning bewoonde bij een handhavingspunt waar de grenswaarde is overschreden, zoals blijkt uit de kaarten in bijlage 1en bijlage 2.
3. De vergoeding voor een woning, niet zijnde een bedrijfswoning of een woonschip, wordt per relevant gebruiksjaar vastgesteld aan de hand van de formules:
Schade = WOZ-waarde x schadepercentage x (geluidbelasting – maximale verwachtingswaarde, in dB)
Vergoeding = schade – normale maatschappelijke risico
4. De vergoeding voor een bedrijfswoning wordt per relevant gebruiksjaar vastgesteld aan de hand van de formules:
Schade = taxatiewaarde bedrijfswoning voor het woongedeelte x schadepercentage x (geluidbelasting – maximale verwachtingswaarde, in dB)
Vergoeding = schade – normale maatschappelijke risico
5. De vergoeding voor een woonschip wordt per relevant gebruiksjaar vastgesteld aan de hand van de formules:
Schade = taxatiewaarde volgens RRB-aanslag x schadepercentage x (geluidbelasting – maximale verwachtingswaarde, in dB)
Vergoeding = schade – normale maatschappelijke risico
6. Als een hoofdbewoner slechts een gedeelte van een relevant gebruiksjaar hoofdbewoner van de woning is geweest, ontvangt deze hoofdbewoner een vergoeding naar rato van het aantal kalenderdagen van het relevant gebruiksjaar waarop deze hoofdbewoner is geweest.
7. Als een hoofdbewoner gelijktijdig met één of meer andere hoofdbewoners in een relevant gebruiksjaar hoofdbewoner van de woning is geweest, heeft ieder van deze hoofdbewoners aanspraak op de vergoeding, naar rato van het aantal hoofdbewoners.
8. Een vergoeding van wettelijke rente als bedoeld in
artikel 119 van afdeling 11, titel 1, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, maakt deel uit van de toe te kennen vergoeding. Het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat is de datum van de aanvang van de aanvraagperiode bedoeld in artikel 3, vierde lid.
9. Als de op grond van het eerste tot en met achtste lid vastgestelde vergoeding lager is dan € 50,–, dan wordt de vergoeding vastgesteld op € 50,–.