BWBR0047436
Geldig vanaf 2023-07-15
Artikel 2.9b
Wet hersteloperatie toeslagen
1. Indien een overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden, indien degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a, of indien de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, zich voordoet, worden aan het kind van de overleden aanvrager een of meer van de onderstaande voorzieningen toegekend:
a. op aanvraag door de Dienst Toeslagen: 1°. compensatie die op grond van artikel 2.1, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
2°. tegemoetkoming die op grond van artikel 2.6, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
3°. het forfaitaire bedrag dat op grond van artikel 2.7 aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
1°. compensatie die op grond van artikel 2.1, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
2°. tegemoetkoming die op grond van artikel 2.6, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
3°. het forfaitaire bedrag dat op grond van artikel 2.7 aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
b. op aanvraag door Onze Minister: overeenkomstige toepassing van afdeling 4.1 op de daar bedoelde geldschulden van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen;
c. ambtshalve door de publieke schuldeisers, genoemd in de artikelen 3.1 tot en met 3.12:
overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3op de geldschulden, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.12, van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen.
2. Aan het kind van een overleden aanvrager wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, toegekend die aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden, in het geval dat:
a. de overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden;
b. degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a; of
c. de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, zich voordoet.
3. Indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1b, eerste lid, een aanvraag indienen voor de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt het bedrag van de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verminderd naar evenredigheid van het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die compensatie of tegemoetkoming.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing bij de toekenning van aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van het tweede lid, indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn die op grond van artikel 6.1bop hen van toepassing is, een aanvraag daartoe indienen.
5. Het eerste tot en met vierde lid alsmede hoofdstuk 4a, artikel 5.3en hoofdstuk 6voor zover die betrekking hebben op aanvragen als bedoeld in het eerste of tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kind van een overleden aanvrager:
a. indien degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, overlijdt op of na de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a;
b. voor zover die partner is overleden voordat toekenning heeft plaatsgevonden van de voorzieningen, de aanvullende compensatie of de aanvullende O/GS-tegemoetkoming die aan die partner zouden zijn toegekend op grond van artikel 2.9a indien deze niet was overleden;
c. met dien verstande dat: 1°. voor de toepassing van artikel 6.1b, eerste lid, de aanvraagtermijn aanvangt op de dag van overlijden van de partner in plaats van op de dag van overlijden van de overleden aanvrager;
2°. artikel 6.1b, tweede lid, van toepassing is als geen toekenning heeft plaatsgevonden aan de partner van de overleden aanvrager van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°.
1°. voor de toepassing van artikel 6.1b, eerste lid, de aanvraagtermijn aanvangt op de dag van overlijden van de partner in plaats van op de dag van overlijden van de overleden aanvrager;
2°. artikel 6.1b, tweede lid, van toepassing is als geen toekenning heeft plaatsgevonden aan de partner van de overleden aanvrager van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°.
a. op aanvraag door de Dienst Toeslagen: 1°. compensatie die op grond van artikel 2.1, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
2°. tegemoetkoming die op grond van artikel 2.6, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
3°. het forfaitaire bedrag dat op grond van artikel 2.7 aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
1°. compensatie die op grond van artikel 2.1, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
2°. tegemoetkoming die op grond van artikel 2.6, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
3°. het forfaitaire bedrag dat op grond van artikel 2.7 aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
b. op aanvraag door Onze Minister: overeenkomstige toepassing van afdeling 4.1 op de daar bedoelde geldschulden van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen;
c. ambtshalve door de publieke schuldeisers, genoemd in de artikelen 3.1 tot en met 3.12:
overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3op de geldschulden, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.12, van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen.
2. Aan het kind van een overleden aanvrager wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, toegekend die aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden, in het geval dat:
a. de overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden;
b. degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a; of
c. de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, zich voordoet.
3. Indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1b, eerste lid, een aanvraag indienen voor de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt het bedrag van de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verminderd naar evenredigheid van het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die compensatie of tegemoetkoming.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing bij de toekenning van aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van het tweede lid, indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn die op grond van artikel 6.1bop hen van toepassing is, een aanvraag daartoe indienen.
5. Het eerste tot en met vierde lid alsmede hoofdstuk 4a, artikel 5.3en hoofdstuk 6voor zover die betrekking hebben op aanvragen als bedoeld in het eerste of tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kind van een overleden aanvrager:
a. indien degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, overlijdt op of na de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a;
b. voor zover die partner is overleden voordat toekenning heeft plaatsgevonden van de voorzieningen, de aanvullende compensatie of de aanvullende O/GS-tegemoetkoming die aan die partner zouden zijn toegekend op grond van artikel 2.9a indien deze niet was overleden;
c. met dien verstande dat: 1°. voor de toepassing van artikel 6.1b, eerste lid, de aanvraagtermijn aanvangt op de dag van overlijden van de partner in plaats van op de dag van overlijden van de overleden aanvrager;
2°. artikel 6.1b, tweede lid, van toepassing is als geen toekenning heeft plaatsgevonden aan de partner van de overleden aanvrager van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°.
1°. voor de toepassing van artikel 6.1b, eerste lid, de aanvraagtermijn aanvangt op de dag van overlijden van de partner in plaats van op de dag van overlijden van de overleden aanvrager;
2°. artikel 6.1b, tweede lid, van toepassing is als geen toekenning heeft plaatsgevonden aan de partner van de overleden aanvrager van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°.