Om rechtsgeldig een individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice én de instellingstoeslag in rekening te kunnen brengen moet de instelling voor jeugdtandverzorging hiervoor een rechtsgeldige tariefbeschikking van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben gekregen. Hiertoe dient de instelling voor jeugdtandverzorging jaarlijks, samen met twee representerende zorgverzekeraars, een aanvraag in. Voor het tariefverzoek moet de begroting van verwachte kosten en productie van de haal- en/of brengservice, de onderbouwing voor de hoogte van de overeengekomen instellingstoeslag en de overeenkomst met de zorgverzekeraars worden meegestuurd.
Een (nieuw) individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice én de instellingstoeslag wordt alleen afgegeven indien de instelling minimaal een verzoek tot definitieve verrekening van het jaar (t-2) en voorafgaande jaren heeft ingediend (zie hierna onder paragraaf 5.6);
De hoogte van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice wordt berekend door de totale kosten voor de haal- en/of brengservice te delen door het aantal periodieke controles bij patiënten die gebruik maken van de haal- en/of brengservice. Het toeslagtarief is een individueel vast tarief per instelling.
Een instelling voor jeugdtandverzorging mag in combinatie met een periodieke controle van een patiënt tot 18 jaar (C001 of C002) een tarieftoeslag voor de haal- en/of brengservice in rekening brengen.
De kosten voor de haalservice worden vooraf per instelling bepaald op basis van een begroting van de totale, verwachte kosten voor het vervoer van de patiënten van de (basis)school naar de behandelplaats en terug.
Aanvaardbaar zijn de totale kosten van het vervoer van de patiënten van de (basis)school naar de behandelplaats en terug (zowel in eigen beheer als niet in eigen beheer) tot maximaal de kosten indien dit vervoer door derden zou worden verzorgd. De maximumbedragen luiden als volgt (definitief niveau 2022):
Deze bedragen zijn exclusief BTW.
De bedragen per inzetdag of per gereden kilometer rijdend materieel worden jaarlijks aangepast met de prijsstijging particuliere consumptie (ppc) volgens het Centraal Economisch Plan (CEP). De bedragen per chauffeursuur worden jaarlijks aangepast op basis van de door de Minister van VWS voor het betreffende jaar aangegeven overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova). Met de brief van 20 september 2022 (kenmerk 3434939-1035019-FEZ) heeft VWS de NZa opdracht gegeven om voor de tariefberekening 2023 incidenteel aan te sluiten op de ramingen uit de Macro Economische Verkenningen van het Centraal Planbureau. Dit geldt zowel voor de personele index als de materiële index.
De totale, werkelijke salariskosten van een chauffeur bedraagt maximaal € 40.716,– en van een begeleider maximaal € 36.587,– per jaar op fulltime basis (definitief niveau 2022). Deze bedragen worden jaarlijks aangepast met de mutatie volgens het ova-percentage.
De kosten voor de haalservice kunnen maximaal worden verhoogd met een toeslagpercentage van 15% voor overheadkosten.
De kosten voor de brengservice worden vooraf per instelling bepaald op basis van een begroting van het verschil tussen de totale, werkelijke exploitatiekosten (inclusief kosten van instrumentarium) per (tandarts)stoel in een dental-car of andere mobiele praktijkruimte van de desbetreffende dienst en het jaarlijks vast te stellen franchisebedrag per stoel.
Het franchisebedrag bedraagt € 26.843,– (definitief niveau 2022). Het franchisebedrag per stoel wordt jaarlijks aangepast met de mutatie volgens het ppc-percentage.
Indien de exploitatiekosten per stoel hoger zijn dan het franchisebedrag per stoel kan het verschil maximaal worden verhoogd met een toeslagpercentage van 15% voor overheadkosten.
De NZa zal de bedragen van het toetsingskader voor het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice jaarlijks per 1 januari van het jaar (t+1) actualiseren voor de loon- en prijsstijgingen volgens de betreffende indexen. De wijze van indexeren is geregeld in de
Beleidsregel indexering.
De tarieven voor tandheelkundige hulp aan jeugdige patiënten tot 18 jaar, met uitzondering van de techniekkosten, kosten implantanten, stiften, laboratoriumkosten en materiaalkosten voor regeneratietechnieken, kunnen worden verhoogd met een instellingstoeslag van maximaal 10% voor de behandeling van risicogroepen. Voorwaarde hiervoor is dat de NZa op grond van een onderbouwde aanvraag hiervoor een tariefbeschikking heeft afgegeven.
Op grond van de hierboven vastgelegde systematiek wordt een individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice op voorcalculatorisch niveau vastgesteld. Het verschil tussen het voorcalculatorische niveau jaar t en het definitieve niveau jaar t zal worden verrekend via een tijdelijke toeslag of aftrek op het individueel vast toeslagtarief voor jaar t+1 of jaar t+2.
Ten behoeve van deze nacalculatie dient de instelling voor jeugdtandverzorging de jaarrekening alsmede het bijbehorende verantwoordingsformulier te overleggen. De jaarrekening en het bijbehorende verantwoordingsformulier bevat de volgende, door een (externe) accountant gecontroleerde cijfers;
– De totale opbrengsten, uitgesplitst naar tandheelkundige verrichtingen en tandtechnische werkzaamheden;
– De totale exploitatiekosten;
– Het aantal gedeclareerde toeslagen;
– Het aantal behandelde kinderen.
De verantwoordelijkheid van de accountant is daarbij het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van zijn controle. Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s van fraude of fouten. Uiteindelijk zal de accountant op basis van zijn controlewerkzaamheden een oordeel moeten geven of de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen en van het resultaat.
Instellingen voor jeugdtandverzorging die niet zelfstandig opereren en op grond van (andere) wet- en regelgeving niet verplicht zijn om een alleen op deze instelling voor jeugdtandverzorging betrekking hebbende jaarrekening op te stellen, dienen – in plaats van de jaarrekening – minimaal een door een (externe) accountant opgesteld rapport van feitelijke bevindingen ten aanzien van de hierboven genoemde gegevens te verstrekken. Het rapport van feitelijke bevindingen moet voldoende gedetailleerd een beschrijving van het doel en van de overeengekomen werkzaamheden geven, teneinde de gebruiker in staat te stellen de aard en de reikwijdte van de uitgevoerde werkzaamheden te begrijpen.
De NZa geeft jaarlijks aan een instelling, op aanvraag en na goedkeuring, een individueel vast toeslagtarief af vóór 1 januari van het jaar (t+1). Hiervoor dient de tariefaanvraag door instelling en representerende zorgverzekeraars uiterlijk 1 oktober in het jaar (t) volledig te zijn ingediend.
Instelling en representerende zorgverzekeraars kunnen vóór 1 december van het jaar (t) een onderbouwd verzoek tot verlenging van de lopende tariefbeschikking indienen. De NZa kan daarop de geldigheidsduur van de lopende tariefbeschikking met maximaal zes maanden verlengen tot uiterlijk 1 juli van het jaar (t+1).
Indien instelling en representerende zorgverzekeraars verzuimen het verzoek tot vaststelling van het individueel vast toeslagtarief haal- en/of brengservice én instellingstoeslag tijdig in te dienen of de verlenging van de geldigheidsduur van de lopende tariefbeschikking is ontoereikend, geldt dat de instelling voor jeugdtandverzorging geen recht meer heeft op declaratie van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice en/of de instellingstoeslag.