BWBR0046981
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 4.7
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
Weging en vaste bedragen ... [Wijziging(en) zonder datum inwerkingtreding aanwezig. Zie het wijzigingenoverzicht .] 1 Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6 , af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk: Cumulatieve gewicht aanwijzingen Persoonsaantasting Vergoeding 0 t/m 3 A Geen persoonsaantasting - 4 t/m 6 B Persoonsaantasting € 1.500 7 t/m 9 C Ernstige persoonsaantasting € 3.000 10 t/m 14 D Bijzonder ernstige persoonsaantasting € 5.000 2 Behoudens het bepaalde in artikel 4.8 , kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe. 3 Het Instituut kent, in afwijking van het tweede lid, aan de aanvrager een vergoeding van € 5.000 toe, indien het Instituut een aanwijzing (2) of een zeer sterke aanwijzing (4), als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid , heeft aangenomen. 4 Indien op grond van artikel 4.1a, tweede lid , of het tweede of derde lid van dit artikel of artikel 4.8 , aan een lid van het huishouden van de aanvrager een hogere vergoeding voor immateriële schade is toegekend dan waarvoor de aanvrager in aanmerking komt of zou komen op grond van artikel 4.1a, tweede lid, het tweede of derde lid van dit artikel, of artikel 4.8, wordt aan die aanvrager krachtens dit lid eveneens die hogere vergoeding toegekend. 5 In afwijking van het vierde lid, wordt de aan de aanvrager toe te kennen vergoeding niet gelijk getrokken met de in het vierde lid eerstgenoemde hogere vergoeding, indien: a. geen aanwijzing voor een persoonsaantasting voor de aanvrager of het andere lid van het huishouden is aangenomen voor de veiligheidssituatie van de woning, als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid , of in verband met de omvang van de fysieke schade van de woning als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid , of b. op grond van artikel 4.1a, tweede lid , een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken. 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lid van het huishouden verstaan de meerderjarige natuurlijke persoon die een besluit op de aanvraag tot vergoeding van immateriële schade van het Instituut heeft ontvangen en met wie de aanvrager minimaal zes maanden heeft samengewoond op een in artikel 4.2, tweede lid , bedoeld adres.