BWBR0046981
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 2.13
Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022
Voorwaarden daadwerkelijk herstel ... 1 Een aanvrager kan in aanmerking komen voor daadwerkelijk herstel, indien op het moment van de aanvraag aan de onderdelen a tot en met i is voldaan en op het moment van het nemen van een beslissing op die aanvraag aan alle onderdelen hieronder is voldaan: a. er is ten minste één schade die niet identiek is aan een eerder beoordeelde schade aan een gebouw dat in aanmerking komt voor daadwerkelijk herstel; b. de aanvraag betrekking heeft op: i. een volledig object, zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres als bedoeld in de BAG ; en ii. indien van toepassing, de aangrenzende onroerende zaken met een eigen kadastrale aanduiding die aanhorig zijn aan het object; c. de aanvrager: i. een natuurlijk persoon is die de eigendom heeft van het object en, indien van toepassing, de aanhorige onroerende zaak, tenzij die eigendom is belast met een beklemrecht, een recht van opstal of een recht van erfpacht; of ii. een natuurlijk persoon is die het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht op het object en, indien van toepassing, op de aanhorige onroerende zaken, heeft; d. de aanvraag is ingediend door alle eigenaren onderscheidenlijk alle houders van de onder c bedoelde rechten; e. aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d , is voldaan; f. de aanvrager nog niet voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt; g. indien de aanvrager een rechtspersoon is, er nog geen drie keer van daadwerkelijk herstel gebruik is gemaakt, of, indien de rechtspersoon tevens een onderneming is, de rechtspersonen die onderdeel uitmaken van de onderneming, geen drie keer van daadwerkelijk herstel gebruik hebben gemaakt en natuurlijke personen die onderdeel uitmaken van de onderneming, geen drie keer van daadwerkelijk herstel of voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding gebruik hebben gemaakt; h. er geen sprake van fraude of misbruik is geweest en er bestaat bij het Instituut ook geen gegronde vrees hiervoor; i. op het object rust geen finaliteit, tenzij in een vaststellingsovereenkomst een spijtoptantenbepaling is opgenomen en de aanvrager aan de voorwaarden van die bepaling voldoet; j. indien de aanvrager een rechtspersoon is, ondertekent hij de door het Instituut versterkte standaardverklaring dat voldaan is aan het bepaalde onder g; k. indien aan de aanvrager na het indienen van de aanvraag de keuze voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a , een vaste vergoeding als bedoeld in hoofdstuk 2b of daadwerkelijk herstel is voorgelegd en de aanvrager heeft niet voor de individuele maatwerkbeoordeling of de vaste vergoeding gekozen, tenzij in een vaststellingsovereenkomst een spijtoptantenbepaling is opgenomen en de aanvrager aan de voorwaarden van die bepaling voldoet; l. de aanvrager heeft alle schade laten opnemen, indien het Instituut om een nulmeting heeft verzocht; m. de aanvrager de door het Instituut aangeboden vaststellingsovereenkomst sluit met de Staat der Nederlanden; en n. indien voor het object een besluit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen is genomen, de aanvrager ermee instemt dat er geen nieuwe facturen worden ingediend. 2 Daadwerkelijk herstel is niet mogelijk, indien: a. een gebouw geen intacte bouwschil of ernstig achterstallig onderhoud heeft; b. het een tijdelijk gebouw betreft; c. het gebouw wordt afgebroken; d. geen van de gebouwen een woonfunctie heeft en de oppervlakte van het gebouw of de gebouwen groter is dan een door het Instituut te bepalen oppervlakte; e. geen enkel gebouw een verblijfsfunctie heeft; of f. het een mestsilo of mestsleuf betreft; tenzij naar het oordeel van het Instituut voor een categorie van deze onderdelen of in een concrete situatie het redelijk is daadwerkelijk herstel toch mogelijk te maken. 3 Daadwerkelijk herstel is eveneens niet mogelijk, indien; a. een gebouw geen woonfunctie heeft en het in de gegeven situatie naar het oordeel van het Instituut niet passend is daadwerkelijk herstel mogelijk te maken; b. er een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon eigenaar of mede-eigenaar is geworden, dan wel houder van het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht, van het object waarop het recht op daadwerkelijk herstel ziet en er na verkrijging geen beving van 5 mm/s of hoger, te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%, heeft plaatsgevonden. 4 Indien niet voldaan is aan het eerste of tweede lid, of het derde lid van toepassing is, weigert het Instituut de aanvraag. 5 Het Instituut kan een besluit tot daadwerkelijk herstel geheel of gedeeltelijk intrekken, indien er sprake is van fraude, misbruik of het maximum in het eerste lid, onderdelen f of g, is overschreden. Bij intrekking blijft de finaliteit, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid , gelden, tenzij het Instituut anders beslist.