1. De elektriciteitsjaarvracht bij de opwekking met een warmtekrachtkoppeling, bedoeld in
artikel 16a.8, tweede lid, van de wetwordt overeenkomstig de volgende rekenmethode bepaald:
a. de hoeveelheid opgewekte elektriciteit en warmte in de referentiesituatie wordt gedeeld door het desbetreffende referentierendement van de opwekking van elektriciteit en warmte, ter vaststelling van de hoeveelheid energie die bij gescheiden opwekking van die hoeveelheid elektriciteit en warmte benodigd is;
b. de overeenkomstig onderdeel a vastgestelde hoeveelheid benodigde energie die bij gescheiden opwekking van elektriciteit benodigd is, wordt gedeeld door de hoeveelheid energie die bij gescheiden opwekking van die hoeveelheid elektriciteit en warmte benodigd is;
c. de uitkomst van de deling, bedoeld in onderdeel b, is het percentage van het brandstofverbruik en het grondstofverbruik van de warmtekrachtkoppeling dat aan de opwekking van elektriciteit toe te rekenen is. Dit percentage wordt vermenigvuldigd met de emissiefactor van de gebruikte brandstof of grondstof;
d. uitkomst van de vermenigvuldiging, bedoeld in onderdeel c, is de elektriciteitsjaarvracht, bedoeld in de aanhef.
2. Bij de bepaling van de elektriciteitsjaarvracht bij de opwekking van elektriciteit door middel van restgassen, bedoeld in
artikel 16a.8, derde lid, onderdeel b, van de wetwordt in het elektriciteitsmonitoringsplan een referentiebrandstof gebruikt. De referentiebrandstof is aardgas met dezelfde technisch bruikbare energie-inhoud als de restgassen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de referentiesituatie en het referentierendement, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
b. de emissiefactor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;
c. de referentiebrandstof en de correctiefactor voor technisch bruikbare energie-inhoud, bedoeld in het tweede lid;
d. de bepaling en registratie van de elektriciteitsjaarvracht, bedoeld in artikel 16a.8, eerste en tweede lid, van de wet.