BWBR0046530
Artikel 4
Beleidsregel SARS-CoV-2 virus extra kosten Wlz 2022
Zorgaanbieders maken mogelijk extra kosten in verband met het SARS-CoV-2 virus waardoor
de zorg veilig en verantwoord kan worden geleverd. Deze extra kosten worden onderverdeeld
in:
– personele kosten;
– materiële kosten.
Deze regeling voor het vergoeden van extra kosten ziet op de extra gemaakte kosten
die worden gemaakt in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022.
Op basis van de RIVM-richtlijnen en Rijksbrede maatregelen is het mogelijk een vergoeding
te verkrijgen voor de volgende onderdelen:
1. Persoonlijke beschermingsmiddelen;
2. Vaccinatiekosten (zowel personele als materiële meerkosten);
3. Inzet vervangend personeel bij hoog ziekteverzuim;
4. Extra kosten (vervoer naar) dagbesteding volgend uit het afstandscriterium;
5. De kosten van zelftesten voor zorgpersoneel en bewoners;
6. De extra personele kosten van het personeel dat beschikbaar moet zijn en werkt om
cliënten op de cohort-units te verzorgen en de extra materiële kosten behorende bij
cohort-units;
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-192 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen. Dit betekent dat de
voorwaarden voor vergoeding veranderen indien deze richtlijnen wijzigen of Rijksbrede
maatregelen worden genomen. Indien maatregelen en richtlijnen worden afgeschaald,
worden de voorwaarden voor vergoeding beperkt.
1. Vergoeding extra personele kosten
a. Onder personele kosten worden de volgende soorten van kosten verstaan:
– kosten van het zorgpersoneel;
– kosten van het niet-zorgpersoneel.
Het betreft de daadwerkelijke loonkosten of kosten van inhuur.
Voor de loonkosten mogen de volgende kosten worden meegenomen:
– directe loonkosten: salaris, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en onregelmatigheidstoeslag;
– indirecte loonkosten: pensioenkosten, reiskosten, onkostenvergoedingen, secundaire
arbeidsvoorwaarden, zoals inkomenszekerheid bij arbeidsongeschiktheid of een Anw-gatverzekering,
kosten voor eventuele personeelsverzekeringen, zoals een ziekteverzuimverzekering;
– verplichte premies en bijdragen: loonbelasting, premie volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz), premies werknemersverzekeringen (WW, WAO, WIA en ZW), inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) (werkgeversheffing en eventuele bijdrage Zvw) of BTW indien er geen vrijstelling
is.
b. Onder extra personele kosten worden verstaan de kosten die gemaakt zijn in de periode 1 januari
2022 tot en met 31 december 2022 en het gevolg zijn van de uitbraak van het SARS-CoV-2
virus en samenhangen met de maatregelen van het kabinet of als gevolg van maatregelen
die volgen uit RIVM-richtlijnen.
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-193 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen.
Het gaat hierbij om de extra kosten die nodig zijn om de gebruikelijke en (aanvullend)
noodzakelijke zorg veilig en verantwoord te leveren.
c. De personele kosten die voortvloeien uit de volgende omstandigheden komen voor vergoeding
in aanmerking:
1° extra personeelsinzet als gevolg van een hoger ziekteverzuim onder personeel ten opzichte
van 2019, waaronder ook wordt verstaan het thuis blijven in afwachting van de uitslag
van een corona-test of in verband met quarantaine. Het gaat hier om het ziekteverzuimpercentage
van geheel 2019 en geheel 2022.
2° extra personeelskosten noodzakelijk voor het veilig vaccineren van bewoners en/of
medewerkers/vrijwilligers;
3° kosten apothekers (inzet vaccinatie proces);
4° extra personeelsinzet dagbesteding volgend uit de afstandsnorm van 1,5 meter omdat
in kleinere en dus meerdere groepen dagbesteding wordt geleverd (in verband met de
Rijksbrede maatregelen of RIVM-richtlijnen);
5° de extra personele kosten van het personeel dat beschikbaar moet zijn en werkt om
cliënten op de cohort-units te verzorgen;
2. Vergoeding extra materiële kosten
a. Onder materiële kosten worden de volgende soorten van kosten verstaan: kosten van
voeding, hotelmatige kosten, cliënt- en bewonersgebonden kosten, vervoerskosten, algemene
kosten, terrein- en gebouwgebonden kosten, en afschrijvingen/huur.
b. Onder extra materiële kosten worden verstaan de kosten die gemaakt zijn in de periode 1 januari
2022 tot en met 31 december 2022 en het gevolg zijn van de uitbraak van het SARS-CoV-2
virus en samenhangen met de maatregelen van het kabinet of als gevolg van maatregelen
die volgen uit RIVM-richtlijnen. Het gaat hierbij om de extra kosten die nodig zijn
om de gebruikelijke en (aanvullend) noodzakelijke zorg veilig, verantwoord te leveren.
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-194 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen.
c. De volgende materiële kostenposten komen, voor zover ze samenhangen met de omstandigheden
geformuleerd onder artikel 4, tweede lid, onder b, van deze beleidsregel in elk geval voor vergoeding in aanmerking:
– kosten voor het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) volgens de daarvoor
opgestelde RIVM-richtlijn5 om besmetting onder zorgpersoneel en kruisbesmetting tussen zorgpersoneel en bewoners
te voorkomen;
– extra vervoerskosten dagbesteding volgend uit de afstandsnorm van 1,5 meter;
– (Huur)kosten van extra ruimtes voor de dagbesteding om de 1,5 meter te kunnen waarborgen;
– de kosten van zelftesten voor zorgpersoneel en bewoners;
– extra materiële kosten apothekers (inzet vaccinatie proces);
– extra materiële kosten noodzakelijk voor het veilig vaccineren van bewoners en/of
medewerkers/vrijwilligers.
– extra diagnostiekkosten bewoners als gevolg van laboratoriumkosten;
– extra diagnostiekkosten personeel als gevolg van laboratoriumkosten;
– materiële kosten gerelateerd aan de inzet van cohort-units, voorzover deze kosten
niet redelijkerwijs zijn verdisconteerd in bestaande vergoedingen zoals de nhc- en
nic-component van het zzp.
d. Indien sprake is van extra kosten waarbij de kosten/investering in meerdere jaren
worden afgeschreven, worden de gebruikelijke afschrijvingstermijnen gehanteerd.
De afschrijvingstermijnen van immateriële en materiële vaste activa worden gebaseerd
op de verwachte economische levensduur van het vast actief. Hierbij zijn de uitgangspunten
van toepassing zoals gesteld in de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ): Richtlijn
212 ‘Materiële vaste activa’.
Waarbij alleen de afschrijvingskosten behorende bij het jaar 2022 voor vergoeding
in aanmerkingen komen.
3. Uitsluiting extra kosten
Een deel van de extra kosten die voortvloeien uit het SARS-CoV-2 virus wordt mogelijk
al vergoed op grond van andere opbrengsten. Deze extra kosten zijn daardoor uitgesloten
van vergoeding.
Alleen extra kosten worden vergoed die noodzakelijk zijn voor een veilige en verantwoorde
levering van de zorg.
Tot de vergoeding van extra kosten worden de volgende kosten in elk geval niet gerekend:
– alle kosten die vergoed kunnen worden als gevolg van een door de zorgaanbieder afgesloten
verzekering. Bijvoorbeeld de kosten van ziekteverzuim waarvoor de zorgaanbieder een
(loondoorbetalings)vergoeding ontvangt als gevolg van een afgesloten ziekteverzuimverzekering;
– het deel van de kosten waarvoor een subsidie is aangevraagd en toegekend, bijvoorbeeld
op grond van de Stimuleringsregeling E-health Thuis of de Subsidieregeling coronabanen
in de zorg (COZO);
– het deel van de kosten dat op grond van andere wet- en regelgeving of door een andere
instantie wordt vergoed, omdat de cliënt dit vanwege de gekozen leveringsvorm niet
op grond van de Wlz bekostigd krijgt. Bijvoorbeeld geneesmiddelen bij afname van een modulair pakket
thuis (mpt), vpt of zzp exclusief behandeling.
4. Contracteerruimte
De vergoeding van extra gemaakte kosten is geen onderdeel van de productieafspraak.
5. Sluittarief
De NZa zal de vergoeding voor de extra kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus
opnemen in het sluittarief.
de zorg veilig en verantwoord kan worden geleverd. Deze extra kosten worden onderverdeeld
in:
– personele kosten;
– materiële kosten.
Deze regeling voor het vergoeden van extra kosten ziet op de extra gemaakte kosten
die worden gemaakt in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022.
Op basis van de RIVM-richtlijnen en Rijksbrede maatregelen is het mogelijk een vergoeding
te verkrijgen voor de volgende onderdelen:
1. Persoonlijke beschermingsmiddelen;
2. Vaccinatiekosten (zowel personele als materiële meerkosten);
3. Inzet vervangend personeel bij hoog ziekteverzuim;
4. Extra kosten (vervoer naar) dagbesteding volgend uit het afstandscriterium;
5. De kosten van zelftesten voor zorgpersoneel en bewoners;
6. De extra personele kosten van het personeel dat beschikbaar moet zijn en werkt om
cliënten op de cohort-units te verzorgen en de extra materiële kosten behorende bij
cohort-units;
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-192 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen. Dit betekent dat de
voorwaarden voor vergoeding veranderen indien deze richtlijnen wijzigen of Rijksbrede
maatregelen worden genomen. Indien maatregelen en richtlijnen worden afgeschaald,
worden de voorwaarden voor vergoeding beperkt.
1. Vergoeding extra personele kosten
a. Onder personele kosten worden de volgende soorten van kosten verstaan:
– kosten van het zorgpersoneel;
– kosten van het niet-zorgpersoneel.
Het betreft de daadwerkelijke loonkosten of kosten van inhuur.
Voor de loonkosten mogen de volgende kosten worden meegenomen:
– directe loonkosten: salaris, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en onregelmatigheidstoeslag;
– indirecte loonkosten: pensioenkosten, reiskosten, onkostenvergoedingen, secundaire
arbeidsvoorwaarden, zoals inkomenszekerheid bij arbeidsongeschiktheid of een Anw-gatverzekering,
kosten voor eventuele personeelsverzekeringen, zoals een ziekteverzuimverzekering;
– verplichte premies en bijdragen: loonbelasting, premie volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz), premies werknemersverzekeringen (WW, WAO, WIA en ZW), inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) (werkgeversheffing en eventuele bijdrage Zvw) of BTW indien er geen vrijstelling
is.
b. Onder extra personele kosten worden verstaan de kosten die gemaakt zijn in de periode 1 januari
2022 tot en met 31 december 2022 en het gevolg zijn van de uitbraak van het SARS-CoV-2
virus en samenhangen met de maatregelen van het kabinet of als gevolg van maatregelen
die volgen uit RIVM-richtlijnen.
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-193 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen.
Het gaat hierbij om de extra kosten die nodig zijn om de gebruikelijke en (aanvullend)
noodzakelijke zorg veilig en verantwoord te leveren.
c. De personele kosten die voortvloeien uit de volgende omstandigheden komen voor vergoeding
in aanmerking:
1° extra personeelsinzet als gevolg van een hoger ziekteverzuim onder personeel ten opzichte
van 2019, waaronder ook wordt verstaan het thuis blijven in afwachting van de uitslag
van een corona-test of in verband met quarantaine. Het gaat hier om het ziekteverzuimpercentage
van geheel 2019 en geheel 2022.
2° extra personeelskosten noodzakelijk voor het veilig vaccineren van bewoners en/of
medewerkers/vrijwilligers;
3° kosten apothekers (inzet vaccinatie proces);
4° extra personeelsinzet dagbesteding volgend uit de afstandsnorm van 1,5 meter omdat
in kleinere en dus meerdere groepen dagbesteding wordt geleverd (in verband met de
Rijksbrede maatregelen of RIVM-richtlijnen);
5° de extra personele kosten van het personeel dat beschikbaar moet zijn en werkt om
cliënten op de cohort-units te verzorgen;
2. Vergoeding extra materiële kosten
a. Onder materiële kosten worden de volgende soorten van kosten verstaan: kosten van
voeding, hotelmatige kosten, cliënt- en bewonersgebonden kosten, vervoerskosten, algemene
kosten, terrein- en gebouwgebonden kosten, en afschrijvingen/huur.
b. Onder extra materiële kosten worden verstaan de kosten die gemaakt zijn in de periode 1 januari
2022 tot en met 31 december 2022 en het gevolg zijn van de uitbraak van het SARS-CoV-2
virus en samenhangen met de maatregelen van het kabinet of als gevolg van maatregelen
die volgen uit RIVM-richtlijnen. Het gaat hierbij om de extra kosten die nodig zijn
om de gebruikelijke en (aanvullend) noodzakelijke zorg veilig, verantwoord te leveren.
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-194 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen.
c. De volgende materiële kostenposten komen, voor zover ze samenhangen met de omstandigheden
geformuleerd onder artikel 4, tweede lid, onder b, van deze beleidsregel in elk geval voor vergoeding in aanmerking:
– kosten voor het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) volgens de daarvoor
opgestelde RIVM-richtlijn5 om besmetting onder zorgpersoneel en kruisbesmetting tussen zorgpersoneel en bewoners
te voorkomen;
– extra vervoerskosten dagbesteding volgend uit de afstandsnorm van 1,5 meter;
– (Huur)kosten van extra ruimtes voor de dagbesteding om de 1,5 meter te kunnen waarborgen;
– de kosten van zelftesten voor zorgpersoneel en bewoners;
– extra materiële kosten apothekers (inzet vaccinatie proces);
– extra materiële kosten noodzakelijk voor het veilig vaccineren van bewoners en/of
medewerkers/vrijwilligers.
– extra diagnostiekkosten bewoners als gevolg van laboratoriumkosten;
– extra diagnostiekkosten personeel als gevolg van laboratoriumkosten;
– materiële kosten gerelateerd aan de inzet van cohort-units, voorzover deze kosten
niet redelijkerwijs zijn verdisconteerd in bestaande vergoedingen zoals de nhc- en
nic-component van het zzp.
d. Indien sprake is van extra kosten waarbij de kosten/investering in meerdere jaren
worden afgeschreven, worden de gebruikelijke afschrijvingstermijnen gehanteerd.
De afschrijvingstermijnen van immateriële en materiële vaste activa worden gebaseerd
op de verwachte economische levensduur van het vast actief. Hierbij zijn de uitgangspunten
van toepassing zoals gesteld in de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ): Richtlijn
212 ‘Materiële vaste activa’.
Waarbij alleen de afschrijvingskosten behorende bij het jaar 2022 voor vergoeding
in aanmerkingen komen.
3. Uitsluiting extra kosten
Een deel van de extra kosten die voortvloeien uit het SARS-CoV-2 virus wordt mogelijk
al vergoed op grond van andere opbrengsten. Deze extra kosten zijn daardoor uitgesloten
van vergoeding.
Alleen extra kosten worden vergoed die noodzakelijk zijn voor een veilige en verantwoorde
levering van de zorg.
Tot de vergoeding van extra kosten worden de volgende kosten in elk geval niet gerekend:
– alle kosten die vergoed kunnen worden als gevolg van een door de zorgaanbieder afgesloten
verzekering. Bijvoorbeeld de kosten van ziekteverzuim waarvoor de zorgaanbieder een
(loondoorbetalings)vergoeding ontvangt als gevolg van een afgesloten ziekteverzuimverzekering;
– het deel van de kosten waarvoor een subsidie is aangevraagd en toegekend, bijvoorbeeld
op grond van de Stimuleringsregeling E-health Thuis of de Subsidieregeling coronabanen
in de zorg (COZO);
– het deel van de kosten dat op grond van andere wet- en regelgeving of door een andere
instantie wordt vergoed, omdat de cliënt dit vanwege de gekozen leveringsvorm niet
op grond van de Wlz bekostigd krijgt. Bijvoorbeeld geneesmiddelen bij afname van een modulair pakket
thuis (mpt), vpt of zzp exclusief behandeling.
4. Contracteerruimte
De vergoeding van extra gemaakte kosten is geen onderdeel van de productieafspraak.
5. Sluittarief
De NZa zal de vergoeding voor de extra kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus
opnemen in het sluittarief.