1. Van
artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezichtzijn tot en met 10 november 2022 vrijgesteld personen die opvorderbare gelden aantrekken of ter beschikking verkrijgen door middel van een publiekslening als bedoeld in
artikel 2a, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, alsmede personen die als gevolg van een zodanige aantrekking of verkrijging opvorderbare gelden ter beschikking hebben, mits:
a. zij van het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden niet hun bedrijf maken;
b. het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden niet geschiedt met het oogmerk om kredieten te verlenen;
c. het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden geschiedt door tussenkomst van een persoon die over een ontheffing beschikt als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht; en
d. het totale bedrag aan opvorderbare gelden dat per publiekslening door de persoon, bedoeld in de aanhef, over een periode van 12 maanden wordt aangetrokken of ter beschikking wordt verkregen ten hoogste € 2,5 miljoen bedraagt.
2. Onderdeel c van het eerste lid is niet van toepassing, indien een persoon als bedoeld in de aanhef van het eerste lid, zelf beschikt over een ontheffing als bedoeld in
artikel 4:3, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht.
3. Indien de Europese Commissie op grond van artikel 48, derde lid, van Verordening (EU) 2020/1503van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129en Richtlijn (EU) 2019/1937(PbEU 2020, L 347) gedelegeerde handelingen heeft vastgesteld teneinde de in artikel 48, eerste lid, van die verordening bedoelde overgangsperiode met twaalf maanden te verlengen, blijft de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, van toepassing tot en met 10 november 2023.