De gemeenteraden stellen binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een woonvisie vast als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Woningwet.
De volgende wetten worden ingetrokken:
a. Wet van 28 september 1992, houdende wijziging van de Woningwet (Stb. 1992, 509);
b. Wet van 30 mei 1997, houdende wijziging van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing en van de Woningwet (Stb. 1997, 226);
c. Wet van 14 februari 1998 tot wijziging van de Woningwet (Stb. 1998, 132);
d. Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (Stb. 2001, 518);
e. Wet Victor;
f. Wet van 21 december 2006, houdende wijziging van de Woningwet en enkele andere wetten (Stb. 2007, 27);
g. Wet van 4 juni 2014 tot wijziging van de Woningwet in verband met het versterken van het handhavingsinstrumentarium (Stb. 2014, 249);
h. Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting.
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de artikelen I, onderdeel Va, en IIa, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en terugwerken tot en met 1 januari 2021.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de artikelen IIben IIcdie in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.