BWBR0045555
Geldig vanaf 2022-01-01
Artikel 7.2
Besluit inburgering 2021
1. De bestuurlijke boete, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 24 van de wet</a>, bedraagt € 340.
2. De bestuurlijke boete, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 25 van de wet</a>, wordt vastgesteld op basis van het aantal geregistreerde uren dat de inburgeringsplichtige heeft besteed aan de leerroute, het aantal afgelegde examenpogingen en het aantal behaalde examens.
3. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, rust op betrokkene. Indien Onze Minister op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de boetes, bedoeld in het tweede lid.
2. De bestuurlijke boete, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 25 van de wet</a>, wordt vastgesteld op basis van het aantal geregistreerde uren dat de inburgeringsplichtige heeft besteed aan de leerroute, het aantal afgelegde examenpogingen en het aantal behaalde examens.
3. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, rust op betrokkene. Indien Onze Minister op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de boetes, bedoeld in het tweede lid.