BWBR0045555
Geldig vanaf 2022-01-01
Artikel 6.3
Besluit inburgering 2021
1. De inburgeringsplichtige, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 19, van de wet</a>heeft, behoudens het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 20, tweede lid, van de wet</a>, aanspraak op de lening gedurende de termijn, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 11 van de wet</a>, gedurende de verlengde termijn bedoeld in <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12, eerste lid, van de wet</a>en gedurende de termijn, genoemd in de boetebeschikking, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 24, tweede lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0044770/artikel/25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">25, tweede lid, van de wet</a>. Een persoon als bedoeld in artikel 6.1heeft aanspraak op de lening gedurende drie jaar nadat hij rechtmatig verblijf verkrijgt.
2. Het geleende bedrag wordt niet uitbetaald, indien de inburgeringsplichtige:
a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet basisregistratie personen;
b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a, c, e van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover dit ziet op de artikelen 14, 20 en 45 van de Vreemdelingenwet; of
c. overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de wet geen of niet langer aanspraak heeft op een lening.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de betaling van de lening.
2. Het geleende bedrag wordt niet uitbetaald, indien de inburgeringsplichtige:
a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet basisregistratie personen;
b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a, c, e van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover dit ziet op de artikelen 14, 20 en 45 van de Vreemdelingenwet; of
c. overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de wet geen of niet langer aanspraak heeft op een lening.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de betaling van de lening.