BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 9.25
Omgevingsregeling
1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.59" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 5°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, elke twee jaar uitvoert door een bemonstering van:
a. het percolaat;
b. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en
c. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op:
a. cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink, kwik en arseen;
b. chloride, sulfaat, zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid;
c. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX);
d. minerale olie; en
e. polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's).
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op aromaten, als bij het onderzoek, bedoeld in artikel 9.19, de aanwezigheid daarvan is gesignaleerd.
4. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat:
a. naast de in het tweede en derde lid bedoelde parameters ook andere parameters worden geanalyseerd; of
b. analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het tweede en derde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats.
5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van de monsters plaatsvindt door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert volgens NEN-EN-ISO 17025.
a. het percolaat;
b. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en
c. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op:
a. cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink, kwik en arseen;
b. chloride, sulfaat, zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid;
c. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX);
d. minerale olie; en
e. polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's).
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op aromaten, als bij het onderzoek, bedoeld in artikel 9.19, de aanwezigheid daarvan is gesignaleerd.
4. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat:
a. naast de in het tweede en derde lid bedoelde parameters ook andere parameters worden geanalyseerd; of
b. analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het tweede en derde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats.
5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van de monsters plaatsvindt door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert volgens NEN-EN-ISO 17025.