BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 9.18
Omgevingsregeling
1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.57, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, bestaat uit een bemonstering van:
a. het percolaat, dat op representatieve plaatsen wordt genomen en representatief is voor de gemiddelde samenstelling van het percolaat;
b. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en
c. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de frequentie van de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door de stroomsnelheid van het grondwater onder de stortplaats en dat die frequentie is:
a. eenmaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 0 en 5 m/jaar;
b. tweemaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 5 tot 30 m/jaar; of
c. driemaal per jaar bij een stroomsnelheid van meer dan 30 m/jaar.
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de stroomsnelheid van het grondwater, bedoeld in het tweede lid, door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige wordt vastgesteld.
4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op:
a. zuurgraad (pH);
b. elektrische geleidbaarheid;
c. chemisch zuurstofverbruik (CZV);
d. minerale olie;
e. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX);
f. chloride; en
g. Kjeldahl-N of ammoniak (NH3).
5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het vierde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats.
a. het percolaat, dat op representatieve plaatsen wordt genomen en representatief is voor de gemiddelde samenstelling van het percolaat;
b. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en
c. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de frequentie van de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door de stroomsnelheid van het grondwater onder de stortplaats en dat die frequentie is:
a. eenmaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 0 en 5 m/jaar;
b. tweemaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 5 tot 30 m/jaar; of
c. driemaal per jaar bij een stroomsnelheid van meer dan 30 m/jaar.
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de stroomsnelheid van het grondwater, bedoeld in het tweede lid, door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige wordt vastgesteld.
4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op:
a. zuurgraad (pH);
b. elektrische geleidbaarheid;
c. chemisch zuurstofverbruik (CZV);
d. minerale olie;
e. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX);
f. chloride; en
g. Kjeldahl-N of ammoniak (NH3).
5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het vierde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats.