BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 9.17
Omgevingsregeling
1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de dichtheid van de bovenafdichting elke zes maanden wordt geïnspecteerd.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van de dichtheid van de bovenafdichting bestaat uit:
a. een onderzoek naar het uittreden van stortgas door de bovenafdichting, als redelijkerwijs is te verwachten dat stortgas uit de stortplaats vrijkomt; en
b. een inspectie van de taluds op uittredend percolaat.
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar het uittreden van stortgas, bedoeld in het tweede lid, onder a, plaatsvindt in overeenstemming met hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.
4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van taluds op uittredend percolaat, bedoeld in het tweede lid, onder b, plaatsvindt door bij de teenconstructie, zijnde het verbindingsgedeelte tussen de onder- en bovenafdichting en het nabijgelegen deel van het talud, de elektrische geleidbaarheid van het water uit het drainagesysteem boven de bovenafdichting te meten, in overeenstemming met de methode uit hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindeafwerking op afval- en reststofbergingen.
5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting jaarlijks wordt gecontroleerd op zakking door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak in overeenstemming met de methode uit paragraaf 1.3 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van de dichtheid van de bovenafdichting bestaat uit:
a. een onderzoek naar het uittreden van stortgas door de bovenafdichting, als redelijkerwijs is te verwachten dat stortgas uit de stortplaats vrijkomt; en
b. een inspectie van de taluds op uittredend percolaat.
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar het uittreden van stortgas, bedoeld in het tweede lid, onder a, plaatsvindt in overeenstemming met hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.
4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van taluds op uittredend percolaat, bedoeld in het tweede lid, onder b, plaatsvindt door bij de teenconstructie, zijnde het verbindingsgedeelte tussen de onder- en bovenafdichting en het nabijgelegen deel van het talud, de elektrische geleidbaarheid van het water uit het drainagesysteem boven de bovenafdichting te meten, in overeenstemming met de methode uit hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindeafwerking op afval- en reststofbergingen.
5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting jaarlijks wordt gecontroleerd op zakking door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak in overeenstemming met de methode uit paragraaf 1.3 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.