BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 9.14
Omgevingsregeling
1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder een deskundige inschakelt om de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand te bepalen.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat bij het bepalen van de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand gebruik wordt gemaakt van:
a. de resultaten van het onderzoek naar de geohydrologische toestand, bedoeld in artikel 9.10;
b. de resultaten van de metingen, bedoeld in artikel 9.13, eerste lid; en
c. de profielbeschrijvingen van de bodem op de plaats van de aanleg van de stortplaats.
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige een andere gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand kan vaststellen, als de verwachting bestaat dat de werkelijke gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand onder invloed van een kunstmatige grondwaterstandverandering significant zal afwijken van de in overeenstemming met het tweede lid vastgestelde grondwaterstand.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat bij het bepalen van de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand gebruik wordt gemaakt van:
a. de resultaten van het onderzoek naar de geohydrologische toestand, bedoeld in artikel 9.10;
b. de resultaten van de metingen, bedoeld in artikel 9.13, eerste lid; en
c. de profielbeschrijvingen van de bodem op de plaats van de aanleg van de stortplaats.
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige een andere gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand kan vaststellen, als de verwachting bestaat dat de werkelijke gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand onder invloed van een kunstmatige grondwaterstandverandering significant zal afwijken van de in overeenstemming met het tweede lid vastgestelde grondwaterstand.