BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 9.12
Omgevingsregeling
1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.53" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.53, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>:
a. betrekking hebben op gassen die vrijkomen bij de biologische afbraak van het organisch materiaal in de afvalstoffen, waaronder in ieder geval CH4, CO2 en O2;
b. maandelijks plaatsvinden; en
c. representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de atmosferische druk, de metingen eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt benut of afgefakkeld.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de samenstelling van de gasuitstoot, de metingen:
a. eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt afgefakkeld; of
b. voortdurend plaatsvinden als die nodig zijn voor de goede werking van de benuttingsinstallatie voor zover het vrijkomende gas wordt benut en de gassen CH4, CO2 en O2 omvat.
4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling van de gasuitstoot bij het affakkelen en benutten van het vrijkomende gas plaatsvinden in de verzamelleiding van het stortgasonttrekkingssysteem.
5. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot minder frequent mogen plaatsvinden als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn.
a. betrekking hebben op gassen die vrijkomen bij de biologische afbraak van het organisch materiaal in de afvalstoffen, waaronder in ieder geval CH4, CO2 en O2;
b. maandelijks plaatsvinden; en
c. representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de atmosferische druk, de metingen eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt benut of afgefakkeld.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de samenstelling van de gasuitstoot, de metingen:
a. eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt afgefakkeld; of
b. voortdurend plaatsvinden als die nodig zijn voor de goede werking van de benuttingsinstallatie voor zover het vrijkomende gas wordt benut en de gassen CH4, CO2 en O2 omvat.
4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling van de gasuitstoot bij het affakkelen en benutten van het vrijkomende gas plaatsvinden in de verzamelleiding van het stortgasonttrekkingssysteem.
5. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot minder frequent mogen plaatsvinden als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn.