BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 9.11
Omgevingsregeling
1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de onderafdichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.48" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">8.48, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn onderafdichtingen voor stort- en opslagplaatsen.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat tussen de capillair onderbrekende laag van grind als onderdeel van de onderafdichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.47, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, en de te storten afvalstoffen een steunmat wordt aangebracht.
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de te treffen civieltechnische of geohydrologische maatregelen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.48" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.48, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, ten minste voldoen aan:
a. de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen; en
b. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring stortplaatsen.
4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.48" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.48, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat tussen de capillair onderbrekende laag van grind als onderdeel van de onderafdichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.47, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, en de te storten afvalstoffen een steunmat wordt aangebracht.
3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de te treffen civieltechnische of geohydrologische maatregelen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.48" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.48, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, ten minste voldoen aan:
a. de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen; en
b. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring stortplaatsen.
4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041313/artikel/8.48" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.48, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving</a>, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.