BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 4.29
Omgevingsregeling
1. Het verbod, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/5.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet</a>in samenhang met <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/11.54" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving</a>, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in <a href="/wet/BWBR0041330" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">bijlage IX, onder A, bij dat besluit</a>, te vangen geldt niet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
2. Het eerste lid geldt alleen als:
a. het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging krachtens: 1°. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
2°. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en
1°. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
2°. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en
b. als het een zieke of gewonde ree, of een ziek of gewond edelhert, damhert of wild zwijn betreft: voorafgaand aan het vervoer melding is gedaan bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond door personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vierde lid, voor vervoer:
a. in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren; of
b. anders dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
4. Het derde lid geldt alleen als:
a. de uit het wild afkomstige zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond binnen twaalf uur wordt overgedragen aan een van de volgende organisaties: 1°. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;
2°. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;
3°. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog;
4°. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of
5°. Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling;
1°. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;
2°. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;
3°. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog;
4°. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of
5°. Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling;
b. de organisaties, genoemd onder a, bij de beslissing over het vangen, voor het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage VIIa, onder B, volgen, en als zij krachtens artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren zijn gerechtigd uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen; en
c. de in het derde lid bedoelde personen werkzaam zijn binnen het werkgebied van de organisatie, genoemd onder a, weergegeven op de kaart in bijlage VIIa, onder A, en aantoonbaar beschikken over: 1°. kennis van: i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
2°. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.
1°. kennis van: i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
2°. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.
2. Het eerste lid geldt alleen als:
a. het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging krachtens: 1°. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
2°. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en
1°. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
2°. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en
b. als het een zieke of gewonde ree, of een ziek of gewond edelhert, damhert of wild zwijn betreft: voorafgaand aan het vervoer melding is gedaan bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond door personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vierde lid, voor vervoer:
a. in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren; of
b. anders dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
4. Het derde lid geldt alleen als:
a. de uit het wild afkomstige zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond binnen twaalf uur wordt overgedragen aan een van de volgende organisaties: 1°. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;
2°. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;
3°. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog;
4°. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of
5°. Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling;
1°. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;
2°. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;
3°. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog;
4°. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of
5°. Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling;
b. de organisaties, genoemd onder a, bij de beslissing over het vangen, voor het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage VIIa, onder B, volgen, en als zij krachtens artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren zijn gerechtigd uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen; en
c. de in het derde lid bedoelde personen werkzaam zijn binnen het werkgebied van de organisatie, genoemd onder a, weergegeven op de kaart in bijlage VIIa, onder A, en aantoonbaar beschikken over: 1°. kennis van: i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
2°. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.
1°. kennis van: i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond;
iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
2°. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.