BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 3.46
Omgevingsregeling
Een certificatieschema schrijft in ieder geval voor dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041297/artikel/6.45" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6.45, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving</a>:
a. een certificaathouder voorafgaand aan de werkzaamheden een meting van de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel uitvoert;
b. een certificaathouder de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel heeft gemeten en deze concentratie lager dan 5 ppm is;
c. een certificaathouder, wanneer de gasverbrandingsinstallatie daar een voorziening voor heeft, de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel heeft gemeten en de concentratie niet hoger is dan: 1°. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel;
2°. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; of
3°. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel;
1°. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel;
2°. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; of
3°. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel;
d. door de certificaathouder wordt gecontroleerd of het gebruiksvoorschrift van het gasverbrandingstoestel aanwezig is en dat zij, als dit niet het geval is, de gebruiker of bewoner wijzen op het ontbreken van deze informatie; en
e. de certificaathouder de werkzaamheden uitvoert volgens de installatie- en onderhoudsvoorschriften van de leverancier of de fabrikant van de installatie, voor zover de voorschriften niet in strijd zijn met hetgeen in deze afdeling is bepaald.
a. een certificaathouder voorafgaand aan de werkzaamheden een meting van de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel uitvoert;
b. een certificaathouder de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel heeft gemeten en deze concentratie lager dan 5 ppm is;
c. een certificaathouder, wanneer de gasverbrandingsinstallatie daar een voorziening voor heeft, de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel heeft gemeten en de concentratie niet hoger is dan: 1°. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel;
2°. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; of
3°. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel;
1°. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel;
2°. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; of
3°. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel;
d. door de certificaathouder wordt gecontroleerd of het gebruiksvoorschrift van het gasverbrandingstoestel aanwezig is en dat zij, als dit niet het geval is, de gebruiker of bewoner wijzen op het ontbreken van deze informatie; en
e. de certificaathouder de werkzaamheden uitvoert volgens de installatie- en onderhoudsvoorschriften van de leverancier of de fabrikant van de installatie, voor zover de voorschriften niet in strijd zijn met hetgeen in deze afdeling is bepaald.