BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 3.41
Omgevingsregeling
1. Van onroerende zaken met een gelijke hoedanigheid worden de gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden bepaald aan de hand van de bodemgeschiktheid.
2. De bodemgeschiktheid wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken:
a. de ontwateringstoestand;
b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewassen;
c. de stevigheid van de bovengrond;
d. de verkruimelbaarheid van de bodem;
e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
f. de stuifgevoeligheid van de bodem; en
g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevindt.
3. Voor elke gebruiksmogelijkheid wordt bepaald welke kenmerken doorslaggevend zijn.
2. De bodemgeschiktheid wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken:
a. de ontwateringstoestand;
b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewassen;
c. de stevigheid van de bovengrond;
d. de verkruimelbaarheid van de bodem;
e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
f. de stuifgevoeligheid van de bodem; en
g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevindt.
3. Voor elke gebruiksmogelijkheid wordt bepaald welke kenmerken doorslaggevend zijn.