BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 2.30c
Omgevingsregeling
De beperkingengebieden, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/9.19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving</a>, met betrekking tot bijzondere spoorwegen waarvoor toepassing is gegeven aan <a href="/wet/BWBR0036778/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8, tweede lid, van het Besluit bijzondere spoorwegen</a>, zijn:
a. als de bijzondere spoorweg als rechte baan is aangelegd: de locaties die liggen binnen 8 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg;
b. als de bijzondere spoorweg in gebogen richting is aangelegd: de locaties die liggen: 1°. 8 m langs de buitenzijde van de boog; en
2°. 20 m langs de binnenzijde van de boog;
1°. 8 m langs de buitenzijde van de boog; en
2°. 20 m langs de binnenzijde van de boog;
c. als het gaat om kruisingen tussen een bijzondere spoorweg waarop een snelheid van ten hoogste 40 km/u is toegestaan en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 220 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg; en
d. als het gaat om kruisingen tussen een bijzondere spoorweg waarop een snelheid van meer dan 40 km/u is toegestaan en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 500 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg.
a. als de bijzondere spoorweg als rechte baan is aangelegd: de locaties die liggen binnen 8 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg;
b. als de bijzondere spoorweg in gebogen richting is aangelegd: de locaties die liggen: 1°. 8 m langs de buitenzijde van de boog; en
2°. 20 m langs de binnenzijde van de boog;
1°. 8 m langs de buitenzijde van de boog; en
2°. 20 m langs de binnenzijde van de boog;
c. als het gaat om kruisingen tussen een bijzondere spoorweg waarop een snelheid van ten hoogste 40 km/u is toegestaan en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 220 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg; en
d. als het gaat om kruisingen tussen een bijzondere spoorweg waarop een snelheid van meer dan 40 km/u is toegestaan en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 500 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg.