BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 12.54
Omgevingsregeling
1. Een monitoringspunt voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM 10bij het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/3.200" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.200, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving</a>, of bij het houden van landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder b, van dat besluit, ligt:
a. buiten de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
b. op een locatie waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld voor een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is of op een andere locatie die representatief is voor de blootstelling van de bevolking als geheel; en
c. op een locatie waar het meten van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, waaraan in ieder geval wordt voldaan als een monitoringspunt representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht: 1°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en
2°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied.
1°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en
2°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied.
2. Ten minste één monitoringspunt ligt benedenwinds van de activiteit in het meest dichtbij gelegen woongebied.
a. buiten de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
b. op een locatie waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld voor een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is of op een andere locatie die representatief is voor de blootstelling van de bevolking als geheel; en
c. op een locatie waar het meten van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, waaraan in ieder geval wordt voldaan als een monitoringspunt representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht: 1°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en
2°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied.
1°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en
2°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied.
2. Ten minste één monitoringspunt ligt benedenwinds van de activiteit in het meest dichtbij gelegen woongebied.