BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 12.19
Omgevingsregeling
1. Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16en 12.17, wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen:
a. waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen;
b. binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en
c. zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat.
2. De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is.
3. De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat:
a. de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en
b. de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
4. Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.
a. waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen;
b. binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en
c. zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat.
2. De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is.
3. De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat:
a. de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en
b. de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
4. Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.