1. Deze wet, met uitzondering van artikel I, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2. Artikel I, met uitzondering van de onderdelen Ra en AA, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen verschillend kan worden vastgesteld.
3. Indien het bij koninklijke boodschap van 2 september 2020 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het Financieel toezicht, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de Loonbelasting 1964 in verband met de introductie van de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen of op periodieke uitkeringen van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler op de ingangsdatum daarvan te laten afkopen, de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing bij regelingen voor vervroegde uittreding en de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof (
Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen) (Kamerstukken 35 555) tot wet is of wordt verheven en
artikel I, onderdeel C, van die wetin werking treedt, treedt artikel I, onderdeel Ra, van deze wet op hetzelfde tijdstip in werking.
4. Artikel I, onderdeel AA, treedt in werking drie maanden na het tijdstip, bedoeld in onderdeel 2.
5. Vervallen.
6. De artikelen II, onderdelen A, B en C, III, onderdelen A en B, IV, onderdeel 1, en VIwerken terug tot en met 1 januari 2020.
7. Artikel IXwerkt terug tot en met 1 januari 2019.