1. De aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat als bevoegde autoriteit in de
artikelen 3, derde lid, aanhef en onder f,
5, eerste lid,
6, eerste lid,
8, aanhef en onder d,
11, eerste en tweede lid,
13, eerste lid,
14, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a,
15,
16,
17,
18, tweede lid, aanhef en onder b,
20,
21, tweede lid,
22, tweede lid, van het Loodsplichtbesluit 2021, de
artikelen 3, eerste, tweede, derde en vierde lid,
4, tweede en vierde lid,
11, aanhef en onder c,
19, aanhef en onder c,
29, aanhef en onder c,
34, vierde lid,
37, eerste en derde lid, en
38, aanhef en onder c, van de Loodsplichtregeling 2021, de
artikelen 1.1, aanhef en onder rendez-vousreis,en
4.5, aanhef en onder a en c, van het Besluit markttoezicht registerloodsenen de
artikelen 2.7, tweede en vijfde lid, en
2.8, vijfde lid, van het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenarentoegekende bevoegdheden worden gemandateerd aan de hoofdingenieur-directeuren van de desbetreffende regionale organisatieonderdelen.
2. De verlening van mandaat in lid 1 omvat tevens het opleggen van een bestuurlijke sanctie en het invorderen van een geldsom.
3. De verlening van mandaat in lid 1 omvat tevens het beslissen op een bezwaarschrift, mits dit niet geschiedt door de functionaris die het besluit waartegen het bezwaar zich richt heeft genomen.
4. Voor het verrichten van de aan de directeur-generaal als bevoegde autoriteit in de
artikelen 7, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder a, vijfde lid en zevende lid,
10, eerste, derde, vierde en vijfde lid, en
17 van het Loodsplichtbesluit 2021en de
artikelen 2.5, derde lid,
2.6, aanhef en onder b,
2.7, vierde lid, en
2.8, tweede en vierde lid, van het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenarentoebedeelde taken, die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, wordt machtiging verleend aan de hoofdingenieur-directeuren van de desbetreffende regionale organisatieonderdelen.
5. De verlening van machtiging in lid 4 omvat tevens de behandeling van beroep en hoger beroep.
6. Van de in de leden 1 tot en met 5 bedoelde bevoegdheden en taken kunnen door de hoofdingenieur-directeuren ondermandaat en machtiging worden verleend aan:
a. directeuren;
b. afdelingshoofden en districtshoofden;
c. adviseurs voor juridische zaken en adviseurs voor scheepvaartzaken, voor zover het betreft de vertegenwoordiging bij geschillen, en
d. een niet onder het organisatieonderdeel ressorterende functionaris, mits de mate waarin en de wijze waarop de bevoegdheden en taken moeten worden uitgeoefend schriftelijk zijn vastgelegd.