1. In afwijking van
artikel 271, eerste lid, tweede, derde en vijfde zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboekkan de duur van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271, eerste lid, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op schriftelijk verzoek van de huurder worden verlengd met een of meer maanden doch niet tot een later datum dan 1 juli 2021.
2. Het verzoek wordt gedaan niet later dan een week nadat de verhuurder de huurder schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt dan wel indien de verhuurder de huurder vóór de datum van inwerkingtreding van dit artikel schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt, niet later dan een week na de datum van inwerkingtreding van dit artikel.
3. Bij koninklijk besluit kan de toepassing van dit artikel worden verlengd tot 1 januari 2022.
4. Indien uitvoering is gegeven aan het derde lid:
a. kunnen huurovereenkomsten die overeenkomstig het eerste lid zijn verlengd, nogmaals worden verlengd overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid;
b. wordt in afwijking van het tweede lid, indien de verhuurder de huurder vóór 1 juli 2021 schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt en die huur verstrijkt na 30 juni 2021, het in dat lid bedoelde verzoek gedaan vóór 9 juli 2021.