1. Aan een holding als bedoeld in
artikel 3:280a van de Wet op het financieel toezichtdie reeds op 27 juni 2019 in Nederland gezeteld was en die uiterlijk op 28 juni 2021 een aanvraag om goedkeuring als bedoeld in
artikel 3:280b, eerste lid, of een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 3:280c, eerste lid, van die wetheeft aangevraagd, kunnen geen maatregelen als bedoeld in de
artikelen 1:75,
1:79,
1:80,
3:111aof 3:111ab van die wetwegens overtreding van artikel 3:280a van die wet worden opgelegd totdat de behandeling van de aanvraag is afgerond.
2. Indien een holding als bedoeld in het eerste lid niet uiterlijk op 28 juni 2021 een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, heeft ingediend neemt de Nederlandsche Bank passende maatregelen als bedoeld in de
artikelen 1:75,
1:79,
1:80,
3:111aof 3:111ab van de Wet op het financieel toezicht.
3. Artikel 3:306 van de Wet op het financieel toezichtis voor banken of beleggingsondernemingen in de zin van de verordening kapitaalvereisten met zetel in Nederland die deel uitmaken van een groep waarvan de moederonderneming haar zetel heeft in een staat die geen lidstaat is en waarvan de totale waarde van de activa van de groep binnen de Europese Unie berekend met inachtneming van artikel 21 ter, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten op 27 juni 2019 gelijk is of hoger is dan 40 miljard euro, van toepassing met ingang van 30 december 2023.