BWBR0044212
Geldig vanaf 2022-08-01
Artikel 3.40
Wet voortgezet onderwijs 2020
1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de veiligheid op school, waarbij het in elk geval:
a. beleid over de veiligheid voert;
b. de veiligheid van leerlingen op school monitort met een instrument dat een representatief en actueel beeld hiervan geeft;
c. ervoor zorg draagt dat bij een persoon in elk geval de volgende taken zijn belegd: 1°. het coördineren van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten; en
2°. het fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.
1°. het coördineren van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten; en
2°. het fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.
2. Onder veiligheid wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het instrument, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dat door de school wordt vormgegeven of gekozen, waaronder:
a. de aandachtsgebieden die het instrument inzichtelijk maakt;
b. de representativiteit van het instrument; en
c. de frequentie waarmee het instrument wordt ingezet.
4. Het bevoegd gezag zendt onverwijld de resultaten van de monitor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de inspectie.
a. beleid over de veiligheid voert;
b. de veiligheid van leerlingen op school monitort met een instrument dat een representatief en actueel beeld hiervan geeft;
c. ervoor zorg draagt dat bij een persoon in elk geval de volgende taken zijn belegd: 1°. het coördineren van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten; en
2°. het fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.
1°. het coördineren van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten; en
2°. het fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.
2. Onder veiligheid wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het instrument, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dat door de school wordt vormgegeven of gekozen, waaronder:
a. de aandachtsgebieden die het instrument inzichtelijk maakt;
b. de representativiteit van het instrument; en
c. de frequentie waarmee het instrument wordt ingezet.
4. Het bevoegd gezag zendt onverwijld de resultaten van de monitor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de inspectie.