BWBR0044212
Geldig vanaf 2022-08-01
Artikel 3.39
Wet voortgezet onderwijs 2020
1. Indien het een bevoegd gezag bekend is geworden dat een persoon die voor zijn school met taken is belast, zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001854" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht</a>of in het <a href="/wet/BWBR0028570" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Tweede Boek, Titel XIV, van het Wetboek van Strafrecht BES</a>jegens een minderjarige leerling van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0013800/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 WOT</a>.
2. Indien uit het overleg blijkt dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de betrokken persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/127" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 127</a>juncto <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>of <a href="/wet/BWBR0028681/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1</a>juncto <a href="/wet/BWBR0028681/artikel/184" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES</a>. Voordat het bevoegd gezag aangifte doet, stelt het de ouders van de leerling en de betrokken persoon hiervan op de hoogte. Het bevoegd gezag stelt de vertrouwensinspecteur onverwijld in kennis van de aangifte.
3. Het personeelslid dat bekend is geworden dat een voor de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
2. Indien uit het overleg blijkt dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de betrokken persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/127" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 127</a>juncto <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>of <a href="/wet/BWBR0028681/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1</a>juncto <a href="/wet/BWBR0028681/artikel/184" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES</a>. Voordat het bevoegd gezag aangifte doet, stelt het de ouders van de leerling en de betrokken persoon hiervan op de hoogte. Het bevoegd gezag stelt de vertrouwensinspecteur onverwijld in kennis van de aangifte.
3. Het personeelslid dat bekend is geworden dat een voor de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.