1. Op landgoederen die op de dag voorafgaande aan het in artikel IVvan dit besluit bedoelde tijdstip als landgoed waren aangemerkt, die als gevolg van dit besluit niet meer aangemerkt kunnen worden als landgoed, blijft gedurende een periode van tien jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit het
Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928van toepassing zoals dit luidde op de dag voorafgaande aan het in artikel IV van dit besluit bedoelde tijdstip.
2. Het eerste lid is niet meer van toepassing:
a. op het landgoed of op een gedeelte van het landgoed vanaf het moment waarop het landgoed of dit gedeelte van een landgoed een andere eigenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Natuurschoonwet 1928 of een hoofdgerechtigde als bedoeld in artikel 3a van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 krijgt, tenzij dit gebeurt door vererving of ten gevolge van een verdeling van een gemeenschap of van een nalatenschap;
b. vanaf het moment waarop een perceel aan het landgoed wordt toegevoegd; of
c. vanaf het moment waarop het landgoed niet meer voldoet aan de voorwaarden van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 zoals die luidden op de dag voorafgaande aan het in artikel IV van dit besluit bedoelde tijdstip.
3.
Artikel 15, eerste lid, onder s, van de Wet op belastingen van rechtsverkeerblijft van toepassing op natuurterreinen als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928zoals dat lid luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in artikel IV, wanneer de verkrijging van dat natuurterrein heeft plaatsgevonden vóór dat tijdstip.