1. De periode, bedoeld in
artikel 8:8, tweede lid, van de Wajongis voor de jonggehandicapte die in het jaar 2020 inkomen geniet sinds:
a. de maand november of eerder: de maanden december 2019 tot en met november 2020;
b. de maand december: de maand januari 2021.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden slechts de maanden in aanmerking genomen waarin inkomen is genoten.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, is de periode, bedoeld in
artikel 8:8, tweede lid, van de Wajong, voor de jonggehandicapte die in het jaar 2020 inkomen heeft in de vorm van belastbare winst uit onderneming, het jaar 2021.
4. Voor de jonggehandicapte die op grond van
artikel 8:8, vierde lid, van de Wajongrecht heeft op een inkomensvoorziening of arbeidsongeschiktheidsuitkering ter hoogte van het garantiebedrag is de periode, bedoeld in artikel 8:8, tweede lid, van de Wajong, in afwijking van het eerste en tweede lid, december 2020, indien toepassing van het eerste en tweede lid leidt tot een garantiebedrag dat lager is dan de inkomensondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de jonggehandicapte recht had in december 2020.