Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
Paragraaf 1
Regelgevingsprocedures
Paragraaf 2
Tijdelijke voorziening inzake mondelinge behandeling in burgerlijke en bestuursrechtelijke zaken
Paragraaf 3
Tijdelijke afwijking geldigheidsduur deskundigenverklaring artikel 1:28a BW
Paragraaf 4
Tijdelijke afwijking diverse bepalingen Burgerlijke Wetboek, Boek 2 (rechtspersonen) en Boek 5 (verenigingen van eigenaars)
Artikel 22
Paragraaf 5
Tijdelijke voorziening inzake het verlijden van akten met behulp van audiovisuele hulpmiddelen
Paragraaf 6
Tijdelijke voorziening ten aanzien van strafzaken
Paragraaf 7
Tijdelijke voorziening inzake tenuitvoerlegging taakstraffen
Paragraaf 8
Tijdelijke voorziening herstel verzuim in hoger beroep in vreemdelingenzaken
Paragraaf 9
Tijdelijke voorziening elektronische vergaderingen beroepsorganisaties
Paragraaf 10
Tijdelijke voorzieningen afname celmateriaal
Paragraaf 11
Tijdelijke voorziening bestuursdwang Wet veiligheidsregio’s
Paragraaf 12
Slotbepalingen
Artikel 35
2. In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat paragrafen, artikelen of onderdelen van deze wet, met uitzondering van de paragrafen 1, 6, 10en 11alsmede de artikelen 15en 22, terugwerken tot en met 16 maart 2020.
3. Deze wet vervalt op 1 september 2020. Het tijdstip waarop deze wet vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste twee maanden na het tijdstip ligt waarop de wet zou vervallen.
4. De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
5. Bij koninklijk besluit kan voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen van deze wet een tijdstip worden aangewezen waarop deze paragrafen, artikelen of onderdelen vervallen, dat ligt vóór het tijdstip bedoeld in het derde lid.
6. In afwijking van het derde lid:
a. vervallen de artikelen 15 en 22 met ingang van 1 september 2023;
b. vervallen de artikelen 33 en 34 met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid in verband met het verlengen van de geldingsduur van de voorzieningen in de artikelen 33 en 34. Het tijdstip waarop deze artikelen vervallen kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste twee maanden na het tijdstip ligt waarop deze artikelen zouden vervallen. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op dit koninklijk besluit.